logo Raad voor Cultuur

Mediawijsheid
in perspectief

www.cultuur.nl contact colofon

Advies Mediawijsheid '05

6. Implicaties voor de praktijk

De ontwikkelingen rond medialisering en het veranderend burgerschap gaven aanleiding tot een verbreding van het perspectief op wat voorheen media-educatie werd genoemd. De geschetste perspectiefverruiming moet vervolgens zijn weerslag krijgen in de praktijk. Niet dat wat nu in de praktijk gebeurt geen waarde heeft. Maar binnen een nieuw kader kunnen andere accenten worden gelegd en nieuwe initiatieven ontplooid, en kan ook meer samenhang ontstaan. De verschuiving van educatie naar wijsheid, van jongeren naar burgers en van het onderwijs naar tal van andere velden van het maatschappelijke leven, brengt bovendien projecten binnen het blikveld die zich voorheen ver buiten het terrein van media-educatie bevonden. Dit betreft vooral projecten op het terrein van ict en samenleving die in de loop der jaren vanuit de rijksoverheid zijn geïnitieerd of, in het kader van die maatregelen en regelingen, door het veld zijn gerealiseerd. Daarbij gaat het onder meer om de al eerder genoemde Digitale Trapvelden, maar ook vallen er verschillende projecten onder die subsidie kregen in het kader van de regelingen Digitale Broedplaatsen (ontwikkeling van innovatieve ict-toepassingen voor het sociale domein) en Digitale Pioniers (stimulering vernieuwende publieke content).46  
Bij het zoeken naar nieuwe accenten binnen dat verbrede kader dient meegenomen te worden dat principes van connectiviteit en convergentie niet beperkt blijven tot de techniek. Deze tekenen ook de ontwikkeling van bredere maatschappelijke processen en organisatievormen. Ook de Raad heeft in zijn advies eCultuur al gewezen op het belang van crossovers, onder meer tussen kunst en maatschappij, en tussen school, vrije tijd en de culturele sector. De netwerkgedachte, die in feite de kern of grondstructuur uitmaakt van de informatiesamenleving, komt steeds centraler te staan. Ook voor de uitwerking van beleid en praktijken op het terrein van mediawijsheid zou daarom de netwerkgedachte als uitgangspunt genomen moeten worden.
Die netwerkgedachte kan op verschillende manieren vorm krijgen, afhankelijk van het project in kwestie. Wat van belang is, is dat de verschillende expertises van betrokkenen goed op elkaar worden afgestemd. Welke betrokkenen dat zijn verschilt van project tot project. Er kunnen landelijke (publieke) organisaties betrokken zijn, die hun kennis, ervaring, financiële middelen en hun naam inzetten, maar ook instellingen werkzaam op lokaal niveau, zoals musea, archieven, lokale omroepen en bibliotheken. Het belang van lokale verbindingen – waarvan ook scholen deel uitmaken - wordt steeds groter. Door per project relevante partijen aan elkaar te koppelen, kan beter en effectiever aan de vraag worden voldaan en worden bovendien meerdere doelen tegelijk gediend. Behalve een inhoudelijke verdieping kan het immers ook een versterking betekenen van de sociale cohesie. 
Tot slot is eveneens essentieel dat er meer ‘van onderop’ dan ‘van bovenaf’ wordt gewerkt. Het doel is immers actieve participatie van burgers in een gemedialiseerde wereld. Dit betekent dan ook dat activiteiten idealiter meer vraag- dan aanbodgestuurd zijn en bij voorkeur niet zozeer voor als mét de beoogde (doel)groepen worden gerealiseerd.47

Mediawijsheid is een zaak voor iedereen. Overal waar media gemaakt of gebruikt worden, zou aandacht moeten zijn voor mediawijsheid. De implicaties van de hier gepresenteerde visie betreffen dan ook meerdere maatschappelijke en beleidsmatige sectoren. Bij wijze van voorbeeld wordt hier echter ingezoomd op de terreinen die nadrukkelijk tot het aandachtsgebied van de Raad voor Cultuur behoren. Daarbij wordt ook kort aandacht besteed aan de implicaties voor het onderwijs. 

De mediasector
In zijn recente advies over het toekomstig mediabeleid (De publieke omroep voorbij) houdt de Raad een pleidooi voor een heldere afbakening van de publieke taak in het mediadomein. Van de verschillende functies die media vervullen, ligt er een publieke verantwoordelijkheid voor nieuwsvoorziening, opinievorming, kunst en cultuur. Via welke media deze publieke functies vorm krijgen (tv, radio, internet, telefonie) is, aldus de Raad, aan een nieuw in het leven te roepen ‘publieke media-organisatie’. Ook de versterking van mediawijsheid is een taak van deze organisatie. Dit kan onder meer gerealiseerd worden doordat de publieke media ‘voorbeeldig gedrag’ (moeten) vertonen. Dat betekent dat programma’s (of content) van de publieke media-organisatie ijkpunten moeten zijn ten aanzien van betrouwbaarheid, pluriformiteit, toegankelijkheid, kwaliteit en transparantie.48 Publieke mediaproducten moeten hun gebruikers, kijkers en lezers de mogelijkheid bieden of zelfs uitdagen om de gepresenteerde informatie in haar context te plaatsen en te verbinden of te confronteren met andere informatie en media-uitingen; daarnaast moeten de producten tot reflectie uitnodigen of het reflectief vermogen van zijn publiek ondersteunen. Dé waarheid bestaat niet meer, maar men kan mensen wel zo mediawijs maken dat ze beter overweg kunnen met die inherente onzekerheid.
Behalve dat zij voorbeeldige content levert, kan de publieke media-organisatie (of, op kortere termijn, de Publieke Omroep) het nieuwe maatschappelijk middenveld ook tools aanreiken waarmee burgers actiever kunnen deelnemen aan de samenleving. Naast ‘verhalenvertellers’ zouden publieke media-organisaties dan ook steeds meer ‘docent’ of ‘begeleider’ moeten worden. Gegeven de toenemende nadruk op interactiviteit en communicatie met het publiek, is de stap naar het ten dienste stellen van de kennis en vaardigheden van professionele mediabeoefenaren kleiner dan wellicht lijkt. Als voorbeeld in kwestie kan het internetpopstation 3voor12 van de VPRO dienen, dat zijn naam en zijn technische kennis levert aan lokale popinitiatieven die nieuwe manieren zoeken om hun publiek te bereiken. Zo reflecteert 3voor12 niet alleen zelf op de hedendaagse popcultuur, maar faciliteert het ook anderen dat te doen.
Zoals eerder gezegd is het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid omwille van het audiovisuele archief dat het beheert en de kennis en missie die het heeft, van groot belang voor projecten op het gebied van mediawijsheid. Het is goed dat de instelling haar eerdere ambitie heeft opgegeven om het centrale instituut voor media-educatie te worden. Zij concentreert zich nu nadrukkelijk op het ontsluiten van audiovisueel materiaal (en het toevoegen van metadata), en laat het vervolg ervan voornamelijk aan anderen over. Ook Beeld en Geluid heeft zijn plaats in een netwerk. Door bovendien ruimte te bieden aan de input van de gebruiker - die zijn eigen beelden en geluiden aan de databank van het museum kan toevoegen - tracht het museum de balans te verschuiven van aanbod naar vraag. Helaas kunnen diezelfde gebruikers nog geen materiaal downloaden uit de Bronnenbank in verband met gecompliceerde copyright-afspraken. Een buurtvereniging heeft daarmee niet de mogelijkheid iets te doen met een televisieprogramma dat gemaakt is over het toenemende geweld in haar wijk. In het kader van mediawijsheid is dat een grote beperking en een die vraagt om nader onderzoek. 
Een belangrijke taak is ook weggelegd voor de regionale, en in het bijzonder de (grotere) lokale omroepen. Meer nog dan de landelijke media-organisaties staan zij dicht bij de alledaagse praktijk waarin mensen mediawijs moeten worden. Weinig ligt dan ook meer voor de hand dan dat zij in samenspraak met lokale partners als culturele instellingen, bibliotheken, centra voor de kunsten en scholen, hun kwaliteiten ten nutte maken door mensen of groepen te begeleiden, of te faciliteren, die hun eigen media(content) willen maken – en dat niet alleen met betrekking tot techniek, maar ook met betrekking tot inhoud en mentaliteit..Ten aanzien van hun eigen werk gelden uiteraard dezelfde verwachtingen als de verwachtingen die ten aanzien van de producten van de landelijke media zijn geformuleerd: het versterken van de mediawijsheid van hun afnemers.

Op grond van de hierboven uiteengezette visie zet de Raad vraagtekens bij een plan dat op instigatie van het Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn wordt ontwikkeld en dat de oprichting beoogt van een apart instituut voor jeugd en media (het Jeugd en Media Instituut, JMI). In het plan, ‘Naar een volwassen beleidsveld voor jeugd en media’, schrijven de initiatiefnemers dat het veld van jeugd en media zowel beleidsmatig als in de uitvoering versnipperd is en daardoor weinig effectief. Daarom wordt de oprichting voorgesteld van een centraal kennis- en expertise-instituut dat borg staat voor betrouwbaarheid  en kwaliteit en dat de versnippering tegengaat door alle projecten en instellingen op het terrein van jeugd en media aan zich te binden en mogelijk zelfs te laten fuseren. Het instituut richt zich in de visie van de opstellers van het plan op drie doelgroepen: opvoeders, die ondersteuning, informatie en overzicht behoeven, media-aanbieders, die gebaat zijn bij een 'gids' die hen steunt in het verbeteren van hun aanbod en hun imago, en de overheid, die actuele en gestructureerde informatie nodig heeft over jeugd en mediagebruik om haar beleid te kunnen bepalen. Wil het JMI organisatorisch en bestuurlijk gerealiseerd kunnen worden, is het, aldus het plan, een voorwaarde dat de overheid haar geldstromen rationaliseert en kanaliseert naar het instituut.
Ofschoon het plan niet in alle opzichten even duidelijk is, acht de Raad het voorstel om te komen tot een centraal instituut voor jeugd en media onhaalbaar en onwenselijk. Onhaalbaar omdat uit het overzicht van betrokkenen, dat aan het plan is toegevoegd, duidelijk wordt dat de betrokkenheid van de verschillende partijen sterk uiteenloopt en over het algemeen weinig verregaand is. Onwenselijk onder meer omdat het voorstel sterk leunt op het perspectief van bezorgde ouders en opvoeders en kinderen eerder ziet als betrekkelijk weerloze consumenten dan als actieve of potentiële producenten van media-inhouden. Vanzelfsprekend begrijpt de Raad de zorg die ook door de politiek is geuit over mogelijke ongewenste of zelfs schadelijke aspecten van media voor jonge kinderen. Een speciaal beleidsterrein en een apart expertisecentrum voor jeugd en media is daarop volgens de Raad echter niet het juiste antwoord. De functie om kinderen te beschermen en hen en hun opvoeders te informeren over gewenste en ongewenste media-invloeden wordt in de ogen van de Raad al redelijk vervuld door verschillende bestaande initiatieven en instellingen – onder meer door De Kinderconsument en Reclame Rakkers, en met name door het NICAM (Nederlands Instituut voor de Classificatie van Audiovisuele Media), dat een taak vervult waarvoor de rijksoverheid terecht verantwoordelijkheid draagt. Meer ten principale meent de Raad echter dat het er minder om gaat kinderen te beschermen tegen kwalijke media-invloeden dan om hen (en hun ouders) sterker te maken in hun gebruik van die media. Mede daarom verwacht de Raad meer effect van zijn aanbeveling met betrekking tot mediacoaches (zie hieronder) en van de aanbeveling, gedaan in zijn advies De publieke omroep voorbij, dat er vanuit de publieke media-organisatie speciale aandacht moet zijn voor kinderen.
Een  tweede principieel argument tegen de vorming van het genoemde instituut is dat het met de rug naar de toekomst lijkt te worden gepositioneerd. Als gevolg van zijn centralistische uitgangspunt - het JMI als een centrale bundeling van kennis, functies en praktijken - druist het voorstel namelijk in tegen de huidige technologische en maatschappelijke ontwikkelingen. Die benadrukken immers juist het belang van de decentralisatie van kennis en verantwoordelijkheden, de noodzaak van het ontwikkelen en versterken van netwerken van steeds wisselende samenstelling, de kracht van diversiteit en het belang van onderlinge uitwisseling van autonome spelers in het veld. Het is om deze redenen dat de Raad geen voorstander is van een Jeugd en Media Instituut.

Onderwijs
Het onderwijs mag dan in het verruimde perspectief van de Raad niet langer de enige speler op het veld van de mediawijsheid zijn, een belangrijke speler blijft het wel. Alleen is het niet langer in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van het onderwijs om de maatschappij mediawijs te maken. Zoals al eerder geconstateerd, heeft de praktijk van de afgelopen decennia laten zien dat met hoeveel zorg en passie individuele docenten zich ook met het onderwerp inlieten, media-educatie in het onderwijs weinig vaste grond onder de voeten heeft gekregen. Het feit dat het onderwerp op zijn best versleuteld in de eindtermen en kerndoelen is opgenomen, is daar in belangrijke mate debet aan. Alsnog een pleidooi houden voor de introductie van een vak mediawijsheid in het curriculum van de verschillende onderwijslagen, acht de Raad evenwel weinig zinvol. Noch de introductie van een nieuw vak noch het in detail beschrijven van kerndoelen en eindtermen past in de huidige trend waarin dergelijke doelen alleen in zeer brede termen worden omschreven opdat scholen meer ruimte krijgen om er hun eigen invulling aan te geven. Niets doen is echter evenmin een optie, aangezien de kinderen en jongeren van nu de gemedialiseerde wereld van morgen zullen vormgeven. Technische vaardigheden zijn daarbij minder van belang – tenslotte zijn scholieren op dat vlak hun docenten vaak ver vooruit – maar met name op het gebied van (historische en esthetische) kennis en mentaliteit (hoe en waartoe gebruikt men media) valt er voor hen nog wel het een en ander op te steken.49 Daarvoor geldt echter niet één manier of methode – al was het maar omdat daarvoor de verschillen tussen schoolniveaus, typen en zelfs individuele scholen te groot zijn.
Gegeven het belang van mediawijsheid voor de invulling van modern burgerschap, ligt het voor de hand aspecten van mediawijsheid in te passen in (de uitvoering van) de algemene doelen voor het burgerschapsonderwijs, ten behoeve waarvan de Tweede Kamer recentelijk wetswijzigingen heeft goedgekeurd die het onderwijs verplichten actief burgerschap en sociale integratie te bevorderen.
In zoverre scholen deel uitmaken van lokale netwerken en in de wetenschap dat kinderen en jongeren niet alleen op school en van leraren leren, is het cruciaal om gebruik te maken van bestaande en nieuwe samenwerkingsverbanden. Scholen hoeven niet alle kennis en vaardigheden in huis te hebben; ze kunnen die ook tijdelijk in huis halen of er de deur voor uitgaan. Gedeeltelijk gebeurt dit al, onder meer in de samenwerking van scholen met bibliotheken (via de schoolmediatheek en de Virtuele Mediatheek) en in het kader van cultuureducatie, maar uitgangspunt van het dominante leerconcept is het nog niet.
Het belang van verbindingen met buitenschoolse organisaties laat overigens onverlet dat de school en de docenten zelf goed onderlegd moeten zijn. De beschreven kennis-, vaardigheden- en mentaliteitscriteria met het oog op de ontwikkeling van mediawijsheid vragen om een verdieping die niet alleen van buiten de school kan komen. Het belang van bijvoorbeeld ckv-onderwijs, Nederlands en maatschappijleer is in dezen dan ook zeer groot.
Daarnaast meent de Raad, mede op grond van ervaringen die in het onderwijs zijn opgedaan met de implementatie van ict, dat scholen gestimuleerd zouden moeten worden ‘mediacoaches’ aan te stellen. Net als in de beste gevallen de ict-coördinator dat deed, of nu de coördinatoren van de cultuurprofielscholen, draagt de mediacoach zorg voor continuïteit, ontwikkelt hij projecten met buitenschoolse partners en biedt hij begeleiding en inspiratie bij het mediaonderwijs op de eigen school. In principe heeft een dergelijke mediacoach een eerstegraads hbo of universitaire opleiding (vergelijkbaar bijvoorbeeld met de opleiding voor kunstcoördinator), al hoeft niet uitgesloten te worden dat bijvoorbeeld de mediathecaris van de school de functie van mediacoach op zich neemt. Ook zouden mediacoaches vanuit genoemde netwerkverbanden waar scholen in participeren kunnen worden aangezocht.
Op scholen hoeft de bevordering van mediawijsheid geen apart vak te zijn. Bij de pabo’s en andere lerarenopleidingen ligt dat anders. Juist daar zou mediawijsheid een essentieel onderdeel moeten zijn van het curriculum – hoe kunnen de toekomstige docenten anders hun toekomstige leerlingen begeleiden?

Culturele instellingen
Zoals in hoofdstuk 4 duidelijk werd, hebben vooral culturele instellingen zich actief betoond in het ontwikkelen van media-educatieve activiteiten. Deze waren in hoofdzaak gericht op kinderen en jongeren, binnen en buiten school. De goede initiatieven niet te na gesproken, wordt dat aanbod als geheel bovendien gekenmerkt door gebrekkige kennisoverdracht, geringe continuïteit en effectiviteit en het ontbreken van een visie.
In de verbrede visie van de Raad doen meer culturele instellingen aan de bevordering van mediawijsheid dan alleen de organisaties die nadrukkelijk media-educatie als kerntaak opvoeren. Zo zijn er instellingen als Waag Society die met projecten als De Verhalentafel of het Register van de Dag van Gister (een verhalenzuil die een rondreis maakt langs openbare bibliotheken in Zuid-Holland) experimenteert met vormen om ook ouderen mediawijs te maken. Ook instellingen voor cultuureducatie, filmeducatie en leesbevordering leveren bouwstenen voor het kundig, actief en verantwoord omgaan met media, al is de overlap met mediawijsheid niet volledig omdat dát deel van cultuur- en filmeducatie bijvoorbeeld dat zich met artistieke verdieping bezighoudt, niet onder mediawijsheid te rangschikken is. In meer algemene zin geldt de hier gepresenteerde visie voor elke instelling die van media gebruik maakt om haar taak uit te voeren (door middel van onder meer websites, databanken of speciaal ontworpen games). Zoals de Raad al schreef in zijn advies eCultuur naderen de cultuur- en mediasectoren elkaar steeds meer.
Specifiek voor instellingen op het terrein van media-educatie impliceert de voorgestelde verbreding naar mediawijsheid dat zij zich meer dan nu zouden moeten richten op productie en mentaliteit. Of zij hun focus op kinderen en jongeren ook naar andere groepen willen verbreden, is aan hen. Wel zouden zij veel meer oog moeten hebben voor kennisdeling. Dat kan voorkomen dat iedereen steeds opnieuw het wiel uitvindt en dat de inhoudelijke ontwikkeling stokt. Dit laatste geldt overigens niet alleen voor genoemde instellingen, maar ook voor instellingen die zich al wel op het bredere terrein van mediawijsheid begeven. Op dezelfde manier geldt in den brede dat betrokkenen, om de continuïteit van een geslaagd project te bevorderen, al in een veel vroeger stadium zouden moeten nadenken over de vraag hoe het een succesvol project of projectresultaat een langer leven beschoren kan zijn. In zoverre instellingen voor deze projecten subsidie krijgen zou een aansporing daartoe in de subsidievoorwaarden kunnen worden opgenomen. Tevens zou via subsidie een premie kunnen worden gezet op kennisdeling en samenwerking.
Dit vraagt van instellingen wel een andere houding. Zoals ook al in het Raadsadvies over eCultuur naar voren is gebracht, zouden instellingen in plaats van naar binnen meer naar buiten gericht moeten zijn – zowel naar collega-instellingen (om kennis en ervaringen te kunnen delen) als naar hun gebruikers en de lokale netwerken waarvan ze deel (kunnen) uitmaken. Dat vergt een meer vraaggestuurde aanpak. Door van buitenaf naar de eigen expertise, collectie of producten te kijken, kan men beter aansluiten bij wat leeft. Actieve betrokkenheid van gebruikers bij de opzet en uitvoering van activiteiten moet worden versterkt, terwijl tegelijkertijd gestimuleerd zou moeten worden dat gebruikers onderling kennis en ervaring uitwisselen. Zo kan men bij het ontwerp van een online kinderkrant, zoals de bedenkers van Kidstoday en Rebeltoday dat deden, beter uitgaan van een communitymodel waarin de kinderen zelf de dienst uitmaken, dan van een top-downmodel waarin volwassenen bepalen wat wel en niet mag, wat wel of niet werkt of wat zinvol is. Versterken in plaats van beschermen of beleren.

Openbare bibliotheken
Voor openbare bibliotheken geldt hetzelfde. Ook voor hen bestaat de noodzaak zich meer naar buiten te richten, intensiever samen te werken met andere (lokale) partijen en meer oog te hebben voor de kracht van communities. Juist vanuit hun kerntaak burgers te ondersteunen bij het verwerven van en omgaan met informatie, vervullen bibliotheken potentieel een zeer belangrijke functie bij het mediawijs maken van mensen. Door hun lage drempel en hun grote en diverse bereik, kunnen bibliotheken een cruciale rol spelen bij het dichten van de (nieuwe) digitale kloof. Bibliotheken beperken zich allang niet meer tot het uitlenen van boeken. Behalve cd’s, cd-roms, dvd’s en e-books bieden bibliotheken ook digitale databanken en websites aan, gecombineerd met de technologie om deze te raadplegen (pc’s met internet, de bibliotheek op internet: bibliotheek.nl). Daarnaast bieden ze, als ‘open leercentrum’, doelgroepgerichte cursussen, trainingsmodules en faciliteiten aan om gebruikers te leren hun weg te vinden in het brede aanbod van informatiekanalen. Niet toevallig waren veel openbare bibliotheken de thuisbasis van Digitale Trapvelden.50
Naarmate informatiestromen complexer worden, wordt de rol van bibliotheken als betrouwbare bemiddelaar groter.51 Deze rol zou echter wel aangescherpt en uitgebouwd moeten worden, zowel fysiek als virtueel. Veel van de activiteiten die bibliotheken nu ondernemen om gebruikers te ondersteunen zijn namelijk gericht op het bijbrengen van vaardigheden, zoals de omgang met computers of het zoeken op internet. Het is echter ook van belang dat bibliotheken bemiddelen in betekenisgeving en contextualisering van informatie en, misschien nog wel belangrijker, dat ze mensen leren hoe ze dat zelf kunnen doen. Bibliotheken zouden zich meer dan nu moeten richten op begeleiding en ondersteuning, en zo burgers helpen zich te ontwikkelen tot competente en kritische mediagebruikers en -bespelers. Samenwerking met andere (lokale) partijen – het onderwijs, de cultuur- of erfgoedsector, het welzijnswezen of de media - is daarin een belangrijk element. Zo kunnen verschillende expertises elkaar aanvullen en versterken. Een dergelijke samenwerking kan virtueel vorm krijgen, zoals in Gouda waar bibliotheken samen met lokale musea en archieven hun informatie digitaal en samenhangend aanbieden, maar ook fysiek, zoals in Stein waar bibliotheek, gemeente en GGD een gezondheidstrefpunt hebben opgezet in de bibliotheek.52 Dat laatste voorbeeld onderstreept nog eens het belang van openbare bibliotheken als fysieke ontmoetingsplekken. Daarbij zou de fysieke bibliotheek niet alleen de plaats moeten zijn waar mensen media en informatie tot zich nemen, maar ook de plek waar zij deze zelf kunnen produceren, digitaal of anderszins: bibliotheken als community media centers en bibliothecarissen als mediacoaches.
In het kader van het participerend burgerschap is het tevens van belang dat burgers in de gelegenheid worden gesteld met elkaar aan de slag te gaan, elkaar te scholen, te informeren en te inspireren. Als betrouwbare hoeders van informatie (wat iets anders is dan hoeders van betrouwbare informatie, want het is niet de taak van bibliotheken informatie te filteren), zouden bibliotheken bijvoorbeeld vanuit de chatomgevingen van hun bezoekers makkelijk bereikbaar moeten zijn als hulp gewenst is bij het zoeken van informatie.

Het proces van bibliotheekvernieuwing waarin de bibliotheeksector zich momenteel bevindt biedt een goede kans om de aangescherpte rol van bibliotheken nader vorm te geven.53 Dit zou zijn weerslag moeten krijgen in de afspraken die gemaakt worden met betrekking tot de te vormen basisbibliotheken. Daarin zou mediawijsheid een volwaardige plaats moeten krijgen naast leesbevordering. Het is vervolgens aan de koepelorganisatie, de Vereniging van Openbare Bibliotheken (VOB), om de aangescherpte rol van bibliotheken in te bedden in de meerjarenbeleidsplannen en verder te vertalen in concrete activiteiten. De VOB kan daarbij fungeren als aanjager van experimenten. Tevens zou zij een goed kennisnetwerk moeten opbouwen waarin bibliotheken onderling kennis en ervaring kunnen delen. De nieuwe invulling van deze taak zou idealiter ook meegenomen moeten worden bij het op handen zijnde evaluatieve onderzoek naar de invulling die de VOB geeft aan de besteltaken die bij haar zijn neergelegd.


46     Eind 2004 liepen alle genoemde regelingen en projecten af. In .nl. Tien jaar ict en samenleving wordt de geschiedenis van de overheidsbemoeienis met ict en samenleving beschreven en worden de verschillende projecten geëvalueerd.

47     Overigens kan aanbod ook vraag genereren. Mensen weten vaak niet welke vragen ze hebben; aanbod kan mensen helpen hun vragen te ontdekken. Voorwaarde is wel dat projecten zo zijn ingericht dat inbreng van gebruikers er onlosmakelijk deel van uitmaakt.

48     Vergelijk Focus op functies van de WRR.

49     De Raad vindt het in dat kader vreemd dat de overheid inzet op het ‘computerrijbewijs’, dat door de Europese commissie is aanbevolen en vormt krijgt in een doorlopende leerlijn die onder de naam ‘Toets-it’ loopt van groep 5 van het basisonderwijs tot leerjaar 5 van het voortgezet onderwijs. Zoals uit een onderzoek van het SCP enige jaren geleden al bleek (Van huis uit digitaal), voegt het formele onderwijs weinig toe aan de technische vaardigheden die kinderen hebben met internet en andere media. Het SCP werkt in samenwerking met het Rathenau-instituut op dit moment aan een vervolg op genoemde studie. Een verslag van een eerste bijeenkomst is gepubliceerd onder de titel De digitale generatie. Een blik op de toekomst van de informatiesamenleving via de eerste generatie die is opgegroeid met ICT (mei 2005).

50     Naast de Digitale Trapvelden zijn met Seniorweb cursusprogramma’s voor ouderen ontwikkeld rond onderwerpen als downloaden, e-mailen en internetbankieren. Voor ouders van jonge kinderen zijn samen met Surf op Safe modules ontwikkeld rond het internetgedrag van kinderen en jongeren.

51     Dit was ook al de inzet van het Raadsadvies Cyberpolis: de elektronische toegang tot overheidsinformatie uit 2001.

52     Ook in het virtuele kennisdomein werken bibliotheken nauw samen met anderen. Zo beantwoorden bibliothecarissen in de digitale vraagbaak Al@din vragen over alle denkbare onderwerpen. Bij de beantwoording kan Al@din een beroep doen op samenwerkingspartners zoals musea en universiteiten.

53     Het proces van bibliotheekvernieuwing is in 2001 in gang gezet door rijk, provincies en gemeenten om de dienstverlening van de openbare bibliotheken beter af te stemmen op de snel veranderende omgeving en behoeften van bibliotheekgebruikers.

Advies Mediawijsheid
Boeken: we kopen meer, lezen minder
Nederlander belt steeds vaker via internet
Woede om kraken paspoortdossiers
XIMedia worden slimmer, maar de politieke gebruikers ook. De burgers bevinden zich hier tussenin; zij moeten zich dan ook bewust zijn van de werking en werkwijze van media.
LXIVIk denk dat we met Maroc.NL een virtueel maatschappelijk middenveld gecreëerd hebben.
Download de uitgave 'Mediawijsheid in Perspectief'  (PDF, 6.25 Mb)