Steeds meer mensen kopen hun medicijnen op het internet zonder nog een dokter te raadplegen. Onderzoek wijst uit dat een aanzienlijk deel van de gebruikers van medische websites de betrouwbaarheid ervan afmeet aan het design van de site, de layout, het lettertype en het kleurgebruik.1 Bij de ‘gamercial’ is de grens tussen spel, reclame en informatie nauwelijks meer te trekken. Coca Cola begint zijn eigen televisiezender. Consumenten wijzen elkaar de weg naar producten in online gebruikersrecensies. Niet-gouvernementele organisaties zien hun fondsen slinken omdat steeds meer mensen via het internet zelf een humanitaire bestemming voor hun donaties zoeken. Kinderen en jongeren besteden per dag, buiten schooltijd, zes uur aan media. Omdat zij vaak meerdere media naast elkaar gebruiken (de tv staat aan terwijl zij een internetspel spelen) komen die zes uur eigenlijk neer op negen uur.2 Vriendenclubs coördineren hun wekelijkse potje voetbal in het park via mobiele telefoons, e-mail en websites. Waag Society ontwikkelt computerapplicaties voor mensen met een verstandelijke handicap.
Langzamerhand krijgt burgerschap een nieuwe invulling. Gedeeltelijk is dit het resultaat van autonome ontwikkelingen die zich onttrekken aan gouvernementele sturing. Gedeeltelijk wordt deze nieuwe, anders opererende burger ook opgeroepen door het beleid van de overheid zelf, die op tal van terreinen de bal naar de burger terugspeelt. In de visie van het kabinet ‘dient de verzorgingsstaat te worden hervormd tot een participatiestaat die zich kenmerkt door meer gelijkwaardige verhoudingen tussen burgers en overheid.’3 Burgers worden steeds meer verantwoordelijk voor zichzelf en hun rol in de samenleving. Soms kiezen zij daar zelf voor, soms wordt het hen opgedrongen. In de zorg – waar de druk op het systeem zo groot wordt dat het noodzakelijk wordt veel zorg extramuraal vorm te geven – zullen burgers op termijn hun eigen medische dossiers moeten bijhouden. Nu al worden zij in toenemende mate via verzekeringen verantwoordelijk gehouden voor hun gezondheid en worden zij opgeroepen hun eigen ziekenhuis te kiezen. Bij de ontwikkeling van deze nieuwe burger spelen media een cruciale rol.
Zoals de Raad voor Cultuur in zijn Vooradvies Cultuurnota 2005-2008 heeft beschreven en vervolgens heeft uitgewerkt in zijn advies over eCultuur, raken maatschappij en cultuur steeds verder gemedialiseerd.4 Weinig blijft onberoerd door (het effect van) de media; van elementen in een omgeving zijn media de omgeving zelf geworden. Deze tendens houdt nauw verband met technologische ontwikkelingen (digitalisering, connectiviteit, convergentie) en met de steeds verdere uitbouw van de informatie- en kennissamenleving. Al die aspecten tezamen spelen een centrale rol bij de veranderende positie van de burger. Zonder de mogelijkheden van internet zou de overheid nooit het beroep op de zelfredzaamheid van de burger kunnen doen dat zij nu doet. Tegelijkertijd geven diezelfde mogelijkheden burgers de kans zich aan het democratisch proces te onttrekken. Men kan zich terugtrekken in zijn eigen digitale wereld, zonder nog per ongeluk of ongewild met andere meningen geconfronteerd te worden.5 Behalve kansen biedt de medialisering derhalve ook risico’s.
Het is op het kruispunt van burgerschap en medialisering dat dit verkennende advies moet worden geplaatst. Om immers als burger optimaal te kunnen deelnemen aan die genetwerkte en van media doordrenkte maatschappij moeten burgers ‘mediawijs’ zijn. Met die term duidt de Raad op het geheel van kennis, vaardigheden en mentaliteit waarmee burgers zich bewust, kritisch en actief kunnen bewegen in een complexe, veranderlijke en fundamenteel gemedialiseerde wereld. Met opzet gebruikt de Raad niet langer de term media-educatie die centraal stond in zijn advies uit 1996, dat mede de aanleiding vormde voor de analyse die hij hier presenteert. Door niet langer van ‘media-educatie’ maar van ‘mediawijsheid’ te spreken, bepleit de Raad de noodzaak van een perspectiefverbreding. Zowel in de praktijk als in het overheidsbeleid is media-educatie momenteel te exclusief gericht op onderwijs, kinderen en jongeren, aanbod en bescherming. De verschuiving die de Raad voorstelt betreft een verbreding van kader, van bereik (niet alleen kinderen maar simpelweg alle burgers, ook buurtbewoners of senioren) en van terrein: mediawijs moeten burgers niet alleen in het onderwijs zijn, of gemaakt worden, maar overal waar media een rol (kunnen) spelen, dus ook in sectoren als gezondheidszorg, volkshuisvesting, veiligheid of vrijetijdsbesteding. Mediawijsheid is daarmee een begrip dat niet in alle contexten en voor alle groepen hetzelfde betekent. In de context van een patiëntenvereniging die een website wil maken worden andere competenties aangesproken dan wanneer het gaat om een groep jongeren die een documentaire wil maken over hun dagelijks leven. In vergelijking met de invulling die aan media-educatie wordt gegeven, verlegt de definitie van mediawijsheid daarnaast het accent van consumptie naar productie van media-inhouden en van reflectie naar expressie. Daarmee wordt ook afstand genomen van het beschermingsidee dat telkens weer de kop opsteekt, zeker als het gaat om jeugd en media. Bovendien voegt de definitie ‘mentaliteit’ of ‘houding’ toe als belangrijke eigenschap – een eigenschap die onder meer betrekking heeft op het besef van mediagebruikers en -bespelers over de effecten van hun mediagedrag op zichzelf en anderen.
Bij de processen die leiden tot toerusting van de nieuwe, mediawijze burger spelen zeer verschillende instellingen en partijen een rol. Daaronder vanzelfsprekend alle mediaproducenten en het onderwijs, maar ook culturele instellingen – variërend van openbare bibliotheken tot filmfestivals en instellingen voor eCultuur – en instellingen op het grensvlak met andere maatschappelijke sectoren. Die kunnen kennis, tools en begeleiding ter beschikking stellen opdat burgers beter vorm kunnen geven aan zichzelf en hun maatschappelijke omgeving.
De overheid heeft in de ogen van de Raad een duidelijke zorgplicht als het gaat om het bevorderen van mediawijsheid. Zij dient zich te realiseren dat zij niet van burgers kan verwachten dat deze zich in toenemende mate hun eigen verantwoordelijkheid realiseren op tal van leventerreinen, zonder dat zij hen de tools en de expertise meegeeft om die eigen verantwoordelijkheid op een voor henzelf en voor de maatschappij bevredigende manier vorm te kunnen geven. Dit punt is extra pregnant vanwege de tweedeling die is geconstateerd in het mediagebruik, waarbij ouderen, werklozen en lager opgeleiden minder en vooral minder kansrijk gebruik maken van de verschillende media dan jongeren, werkenden en hoger opgeleiden.6 Het weifelende beleid dat de overheid tot dusver heeft gevoerd op het gebied van media-educatie zou plaats moeten maken voor een beleid dat meer visie kent, een bredere aanpak heeft en grenzen doorbreekt tussen verschillende beleidsterreinen en ministeries.
De inzet van het hier voorliggende advies is een samenhangende visie te presenteren die uitmondt in verschillende beleidsvoorstellen. Daartoe kent het advies de volgende opzet: hoofdstuk 2 en 3 beschrijven de ontwikkelingen in het medialandschap en daarbuiten, plus de effecten daarvan op de verschillende spelers binnen dat nieuwe decor. Daarna wordt ingezoomd op het eigenlijke onderwerp van het advies: mediawijsheid. In hoofdstuk 4 wordt daartoe eerst kort de huidige situatie beschreven op het terrein van media-educatie, waarna in hoofdstuk 5 de perspectiefverschuiving van media-educatie naar mediawijsheid wordt onderzocht. Hoofdstuk 6 brengt de implicaties van die verschuiving in kaart voor de praktijk in de verschillende relevante sectoren. In het laatste hoofdstuk formuleert de Raad zijn aanbevelingen voor beleid. Aan de tekst zijn in losse kaders verschillende voorbeelden toegevoegd van interessante praktijken.
1 Zie Setting the Public Agenda for Online Health Search
2 Generation M: Media in the lives of 8-18 year-olds; aangehaald in Naar een volwassen beleidsveld voor jeugd en media (Boorn, Nikken, mei 2005).
3 Kabinetsreactie op adviezen RMO en ROB over politiek en media; 12 juli 2004 (MLB/M/2004/31.416).
4 Cultuur, meer dan ooit; eCultuur: van i naar e.
5 Elektronische programmagidsen monitoren bijvoorbeeld automatisch de voorkeuren van gebruikers en geven hen alleen een overzicht van de programma’s die bij die voorkeuren passen.
6 Zie SCP, Achter de schermen.