logo Raad voor Cultuur

Mediawijsheid
in perspectief

www.cultuur.nl contact colofon

Advies Mediawijsheid '05

De Staatssecretaris van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap
mevrouw mr. M.C. van der Laan
Postbus 16375
2500 BJ  Den Haag

datum: 13 juli 2005
ons kenmerk: med-2005.02498/1

onderwerp: Mediawijsheid. De ontwikkeling van nieuw burgerschap; advies Raad voor Cultuur

 

Geachte mevrouw Van der Laan,

In zijn brief van 8 november jongstleden kondigde de Raad voor Cultuur bij u en bij de voorzitters van de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal aan dat hij van zins was een ongevraagd advies aan u uit te brengen over media-educatie. Dat advies ligt hier nu voor: Mediawijsheid. De ontwikkeling van nieuw burgerschap. 

In 1996 bracht de Raad een advies uit over media-educatie, eveneens ongevraagd. Naar aanleiding van voorgenomen overheidsbeleid met betrekking tot ict en onderwijs vroeg de Raad aandacht voor het feit dat in deze plannen eenzijdig de nadruk werd gelegd op het technisch-instrumenteel gebruik van ict en pleitte hij voor de introductie van media-educatie in het onderwijs. Het advies werd positief ontvangen en genereerde veel discussie maar de belangrijkste beleidsaanbeveling - de integratie van media-educatie in de kerndoelen en eindtermen van het onderwijs - werd niet overgenomen. Wel entameerde en financierde het ministerie van OCW de oprichting van de Stuurgroep Media-educatie, die een 'aanjaag- en breekijzerfunctie' moest vervullen voor het onderwijs, en riep hij een Platform Media-educatie in het leven, dat onder meer met een website bestaande initiatieven op het gebied van media-educatie zou bundelen en ondersteunen. Eind 2002 liep de formele werkingsperiode van zowel de Stuurgroep als het Platform af.

Zoals de Raad ook in zijn inleiding op het Mediadeel van het Vooradvies Cultuurnota 2005-2008 constateerde, zijn op het terrein van media-educatie vele instellingen en instanties actief. De Raad stelde vast dat, niettegenstaande de levendigheid ervan, de praktijk wordt gekenmerkt door gebrekkige onderlinge kennisoverdracht, geringe continuïteit en het ontbreken van een duidelijke visie. Deze conclusie van de Raad, die ook door andere bronnen wordt bevestigd, vormde mede de aanleiding voor het onderhavige Raadsadvies.

In Mediawijsheid. De ontwikkeling van nieuw burgerschap wordt, zoals de titel al suggereert, een verbreding voorgesteld van media-educatie naar mediawijsheid. Deze perspectiefverschuiving vindt zijn grond in verschillende maatschappelijke en culturele veranderingen die gezamenlijk nopen tot een aanscherping van het begrip. Zoals de Raad in zijn Vooradvies Cultuurnota 2005-2008 heeft beschreven en vervolgens heeft uitgewerkt in zijn advies over eCultuur, raken maatschappij en cultuur steeds verder gemedialiseerd. Weinig blijft onberoerd door het effect van de media; media worden steeds meer context, inhoud en bemiddelaars van informatie, kennis en ervaring. Van hoe mensen met elkaar communiceren, via de onderwerpen waarover zij het hebben en de dingen die zij van waarde vinden, tot hoe zij zich met elkaar verbonden voelen of juist niet: op al die terreinen spelen media een rol - oud en nieuw, analoog en digitaal. Van elementen in een omgeving zijn media de omgeving zelf geworden.

De invloed van de medialisering en andere technologische en sociale veranderingen strekt zich ook uit over het veld van de democratische instituties en de invulling van het moderne burgerschap. Burgers worden steeds meer verantwoordelijk voor zichzelf en hun rol in de samenleving. Gedeeltelijk is dit een autonoom proces, en een waarvoor burgers soms zelf kiezen, gedeeltelijk wordt deze nieuwe burger ook opgeroepen door het beleid van de rijksoverheid, die op tal van terreinen de bal naar de burger terugspeelt en steeds vaker een beroep doet op diens zelfredzaamheid. Media spelen daarbij een belangrijke rol: zonder de mogelijkheden die het internet biedt zou de overheid nooit op dezelfde manier een dergelijk beroep op de burger kunnen doen.

Het is op het kruispunt van medialisering en burgerschap dat dit verkennende advies van de Raad voor Cultuur geplaatst moet worden. Om immers als burgers optimaal te kunnen deelnemen aan de van media doordrenkte maatschappij moeten burgers 'mediawijs' zijn. Zoals ook het Sociaal Cultureel Planbureau in zijn studie over mediagebruik heeft laten zien (Achter de schermen, 2004) raken zij die niet over voldoende mediacompetenties beschikken sneller maatschappelijk buitengesloten.

De Raad spreekt met opzet van mediawijsheid en niet langer van media-educatie, omdat media-educatie in zijn ogen zowel in de praktijk als in het overheidsbeleid te exclusief gericht is op onderwijs, kinderen en jongeren, aanbod en bescherming. De belangrijkste consequenties van de door de Raad bepleitte verbreding van media-educatie naar mediawijsheid zijn drievoudig:

Daarnaast legt mediawijsheid meer dan media-educatie de nadruk op het zelf maken of produceren van media-inhouden en voegt het 'mentaliteit' of houding toe als belangrijk aspect van mediawijsheid. Burgers moeten zich bewust zijn van de wijze waarop zij media gebruiken en van het effect van dat gebruik op henzelf en anderen.

De perspectiefverbreding waarvoor de Raad in Mediawijsheid. De ontwikkeling van nieuw burgerschap een lans breekt, betekent dat overal waar media gemaakt of gebruikt worden aandacht moet zijn voor mediawijsheid. Implicaties van deze visie betreffen derhalve meerdere maatschappelijke en beleidsmatige sectoren – van gezondheidszorg tot huisvesting en politiek. Zich concentrerend op die terreinen die tot zijn onmiddellijke aandachtsgebied behoren, met de toevoeging van onderwijs, geeft de Raad in het advies aan dat voor de publieke mediasector geldt dat versterking van de mediawijsheid van hun afnemers een belangrijke taak is. Publieke media dienen ‘voorbeeldig gedrag’ te vertonen: hun producten moeten ijkpunt zijn van betrouwbaarheid, pluriformiteit, toegankelijkheid, kwaliteit en transparantie. Daarnaast kunnen professionele mediabeoefenaren hun kennis en vaardigheden vaker ten dienste stellen van het nieuwe maatschappelijke middenveld en zo burgers gereedschap aanreiken waarmee zij actiever kunnen deelnemen aan de samenleving. In het kader van de rol van de media ziet de Raad overigens weinig heil in een apart beleidsveld en een apart instituut voor jeugd en media, zoals wordt voorgesteld vanuit het Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn.
Ten aanzien van het onderwijs acht de Raad het niet opportuun een pleidooi te houden voor een apart vak media-educatie of mediawijsheid, maar stelt hij inpassing voor van aspecten van mediawijsheid in de uitvoering van de doelen voor het zogenoemde burgerschapsonderwijs. Daarnaast bepleit hij de aanstelling op scholen van mediacoaches. Deze bieden begeleiding en inspiratie bij mediaonderwijs op de eigen school, dragen zorg voor continuïteit en ontwikkelen projecten met buitenschoolse partners.
Culturele instellingen die zich nu bezighouden met media-educatie zouden hun activiteiten meer dan nu moeten richten op productie en mentaliteit. In den brede geldt voor hen, en voor andere culturele instellingen die gebruik maken van media, dat zij meer oog moeten hebben voor kennisdeling en samenwerking en meer vraag- dan aanbodgestuurd moeten werken. Bij de bevordering van mediawijsheid spelen ook openbare bibliotheken een zeer belangrijke rol, vanwege hun toegankelijkheid en hun bereik. Wel zouden zij hun rol moeten aanscherpen en gedeeltelijk anders invullen.

Aan het slot van Mediawijsheid. De ontwikkeling van nieuw burgerschap formuleert de Raad een aantal aanbevelingen voor beleid, waarvan de belangrijkste de volgende zijn:

Ter voorbereiding van dit advies heeft de Raad een brede ad-hoccommissie samengesteld die bestond uit G. Hulshof (Media, voorzitter), M. Schwarz (Media / eCultuur), D. Rijken (eCultuur), W. van Aalst (Film), F. Wielders (Amateurkunst en Cultuureducatie), W. Huberts (Bibliotheken), M. Kho (Intercultureel Cultuurbeleid), R. van Stipriaan (Letteren) en R. van Kranenburg (extern adviseur).
Ter verdieping van haar werkzaamheden heeft de commissie met verschillende personen en partijen in het veld informatieve gesprekken gevoerd.

Een kopie van dit advies is gezonden aan mevrouw M.J.A. van der Hoeven, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, drs. F.W.Weisglas, voorzitter van de Tweede Kamer en mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal.

Hoogachtend,

mr. W.Sorgdrager ,Voorzitter
C.H. Weeda, Algemeen secretaris

Advies Mediawijsheid
Snel internet biedt nieuwe kans voor filmindustrie
Sterke groei verwacht bijwonen uitvaart via internet
China passeert VS op internet
VIIIWij volwassenen hebben de media-omgeving van onze kinderen gecreëerd en daarom hebben kinderen het recht op onze uitleg.
LXIIDe overheid zegt al jaren dat de burger meer eigen verantwoordelijkheid moet nemen, maar besteedt geen enkele aandacht aan de tools en methodieken die daarvoor nodig zijn.
Download de uitgave 'Mediawijsheid in Perspectief'  (PDF, 6.25 Mb)