Negen jaar geleden bracht de Raad een ongevraagd advies uit over media-educatie.7 Naar aanleiding van voorgenomen overheidsbeleid met betrekking tot ict en onderwijs vroeg de Raad aandacht voor de eenzijdige nadruk die in deze plannen werd gelegd op het technisch-instrumenteel gebruik van ict en pleitte hij voor de introductie van media-educatie in het onderwijs. De Raad zag media-educatie als een essentiële voorwaarde voor de verdere ontwikkeling van de ‘kennis- en communicatiemaatschappij’. De maatschappelijke betekenis van media, de wijze waarop deze mede vormgeven aan samenleving, cultuur en economie, vereisten, in de ogen van de Raad, dat kinderen de kennis en vaardigheden bezitten om te kunnen omgaan met elektronische media waarin tekst, beeld en audiovisuele middelen geïntegreerd zijn.
Het landschap dat de Raad destijds schetste, heeft sindsdien veel meer reliëf gekregen. Meer dan in 1996 raken culturele, technologische en maatschappelijke ontwikkelingen de kern van de democratie en de rol van de moderne burger daarin. Een beschouwing van die ontwikkelingen leidt dan ook tot de conclusie dat de burger om optimaal te kunnen functioneren mediawijs dient te zijn.8
Medialisering
Een van de processen die tot een decorwisseling hebben geleid is de medialisering: het proces waarin media steeds meer de context, inhoud en bemiddelaars worden van informatie, kennis en ervaring. Het is een proces dat wordt ondersteund door een fascinatie voor beelden – een fascinatie die zijn wortels vindt in de behoefte de wereld te begrijpen door hem te visualiseren en die versterkt wordt door de explosieve toename van mogelijkheden om beelden te produceren. Ook de groei van het internet en de verschillende gebruiksvormen ervan heeft de rol van media in de samenleving ingrijpend veranderd. Dat er vrijwel geen enkel cultuur-, kennis- en ervaringssegment is dat niet wezenlijk beïnvloed wordt door media, heeft de Raad ook al in eerdere adviezen gesignaleerd. Van hoe mensen met elkaar communiceren, via de onderwerpen waarover zij het hebben, de dingen die zij van waarde vinden, tot hoe zij zich met elkaar verbonden weten dan wel zich juist van elkaar willen onderscheiden: op al die terreinen spelen media een rol – oud en nieuw, analoog en digitaal. Ze informeren en amuseren, ze liegen, bedriegen en verleiden; ze maken de wereld kleiner én groter, eenvoudiger en moeilijker tegelijk. Ze maken mensen krachtiger en kwetsbaarder. Behalve nieuwe communicatievormen ontstaan er ook nieuwe ergernissen en afwijkingen. Werkelijkheid en media spiegelen zich steeds meer aan elkaar; ze raken dusdanig verstrengeld dat mediale en reële ervaringen soms moeilijk uit elkaar te houden zijn. Zoals ook het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) zeggen in hun recente studies van het mediabeleid: de media zijn alomtegenwoordig.9 Ze worden overal ingezet. Van de Tweede Kamer die zijn debatten via streaming media live openbaar maakt tot poppodium Paradiso die hetzelfde doet met zijn concerten, worden allerlei maatschappelijke en culturele instellingen in feite radio- en televisiestations. Media raken bovendien steeds meer met elkaar verknoopt. Zozeer dat ze niet langer elementen in een omgeving zijn maar die omgeving zelf.
Digitalisering en convergentie
De oorzaken van de toenemende dominantie van de media zijn meervoudig. Zoals de WRR aangeeft in zijn studie naar het in hoog tempo veranderende medialandschap (Focus op functies),spelen meerdere ontwikkelingen mee. Deze werken op een ingewikkelde manier op elkaar in. Digitalisering (van informatie) en convergentie (van elektronische apparatuur) spelen in ieder geval een grote rol. Digitalisering heeft zijn stempel gedrukt op vrijwel elk facet van media – van de wijze van produceren tot de manier waarop gebruikers toegang hebben tot content – en heeft tal van nieuwe mediavormen mogelijk gemaakt. Interactiviteit, zo kenmerkend voor de hedendaagse media-omgeving, zou zonder digitalisering op deze schaal ondenkbaar zijn geweest. Daarnaast heeft de convergentie van media-, telecommunicatie- en informatietechnologie ertoe geleid dat er geen principiële verschillen meer bestaan tussen televisie, computer en telefoon. Op de nieuwste generatie televisies kan men e-mailen, op de mobiele telefoon het nieuws zien en op de computer het nieuwe geschiedeniskanaal van de publieke omroep bekijken. Uiterlijk mogen ze dan nog verschillen, in feite kunnen en doen alle apparaten hetzelfde. Omgekeerd zijn op het internet nieuws, overheidsinformatie, een virtueel museum, de openbare bibliotheek en een winkelcentrum maar een muisklik van elkaar verwijderd. Convergentie vergemakkelijkt ook de verknoping van content, mediaformats en technologieën. Alles raakt zo met alles verbonden (‘connectiviteit’).
Zowel door de brede verspreiding van afzonderlijke media (in het bijzonder televisie en internet) als door de koppeling van al die media is de schaal waarop media functioneren enorm vergroot. Noch in tijd, noch in ruimte zijn er principieel nog veel begrenzingen aan het bereik. Mensen, waar ook in de ontwikkelde wereld – en in toenemende mate ook daarbuiten – kunnen zich vierentwintig uur per dag (laten) informeren en amuseren.
Informatiemaatschappij, kennissamenleving
Het proces van medialisering is nauw verbonden met de informatiemaatschappij en de kennissamenleving. Nog altijd nemen de informatiestromen toe; mede dankzij de ontwikkeling van digitale technologieën zijn deze onderdeel geworden van praktisch alle menselijke activiteiten. Om te kunnen functioneren hebben mensen steeds meer behoefte aan (onmiddellijke toegang tot) informatie.10 Digitale media en internet maken het mogelijk verschillende informatiebronnen met elkaar te koppelen en voor verschillende gebruikers beschikbaar te stellen. In de kenniseconomie is dit van groot belang voor kennisdeling en kennisontwikkeling. Die kennisontwikkeling is niet alleen voor het maatschappelijk verkeer, maar ook voor de economische concurrentiepositie essentieel; kennis als productiefactor.11 Niet toevallig zet de Lissabonagenda van de Europese Unie (2000) in op een vlotte overgang naar de informatiemaatschappij ten einde Europa’s concurrentiepositie te versterken. Opvattingen over wat kennis is, en de processen die tot nieuwe kennis leiden, zijn daarbij sterk aan verandering onderhevig.12 Dat geldt, mede dankzij de vereenvoudiging van de digitale techniek, ook voor de visie op de verhouding tussen professional en leek waar het gaat om het proces van kennisvorming. Informatieoverdracht, meest via nieuwe media, wordt steeds meer een wisselwerking, waarbij steeds vaker van de kennis van de leek gebruik wordt gemaakt. De gratis internet-encyclopedie Wikipedia is hiervan een uitgesproken voorbeeld: iedereen die dat wil kan onderwerpen toevoegen aan de encyclopedie of correcties aanbrengen in bestaande lemma’s. Inloggen is niet nodig, zelfs een gebruikersnaam hoeft niet te worden opgegeven. In de vier jaar van zijn bestaan kent de Engelse versie van Wikipedia inmiddels vier maal zo veel artikelen als de Encyclopedia Brittanica en een veelvoud daarvan aan gebruikers.
Nieuwe sociale structuren en de civil society
De ‘informatierevolutie’ en de samenhangende culturele en technologische veranderingen die zich voltrekken, zetten bestaande sociale structuren onder druk. Oude structuren worden aangevuld met, of vervangen door nieuwe structuren, die anders van karakter zijn en een andere impact hebben. Infodrome, in 1999 door de toenmalige regering ingesteld als denktank op het gebied van de informatiesamenleving, ziet in zijn eindrapport Controle geven of nemen drie maatschappelijke krachten die bestaande instituties onder druk zetten: deterritorialisering (globalisering, waardoor onder meer nationale wetgeving onder druk komt te staan), vernetwerking (vervanging van gescheiden organisatiepatronen door netwerken van onderling afhankelijke actoren) en vervlechting (vervagen van scheidslijnen tussen bijvoorbeeld publiek en privaat, werk en privé). Het SCP-rapport Achter de schermen benoemt deze twee laatste (onder het kopje informalisering) als ‘onthiërarchisering van de samenleving’ en ‘desinstitutionalisering van organisaties en organisatievormen’.13 Traditionele gezagsverhoudingen boeten aan belang in – menselijke verhoudingen worden steeds gelijkwaardiger – en traditionele bemiddelaars tussen individu en staat verliezen aan invloed.14 Het aldoor voortschrijdend proces van individualisering maakt dat steeds minder mensen zich gerepresenteerd voelen door het voorheen geaccepteerde, ooit langs zuilen georganiseerde maatschappelijke middenveld (van gezin, klasse, kerk, vakbonden, politieke partijen). Ook de traditionele vertrouwensrelaties zijn in diskrediet geraakt; mondige burgers vertrouwen eerder zichzelf en elkaar dan zogenoemde experts. Tot voor kort onbetwistbare bronnen van informatie worden gewantrouwd of omzeild. Formele spelers hebben niet langer op voorhand het laatste woord. Men haalt zijn kennis zelf van het internet, koopt zijn aandelen zonder bemiddeling door een bank of zoekt zijn eigen, nieuwe, bemiddelaars. Ook politiek en overheid ontmoeten steeds meer scepsis.
Met de afbreuk of fragmentatie van bestaande verbanden ontstaan echter ook nieuwe sociale structuren. Het proces van individualisering is geen rechtlijnige ontwikkeling. Paradoxaal genoeg wordt niet alleen de individuele identiteit steeds belangrijker maar ook de afhankelijkheid van anderen. Tegenover de individualisering staan derhalve nieuwe vormen van collectiviteit, zoals het proces ook andere schijnbare tegenstellingen kent: pluriformiteit naast eenvormigheid, techniek naast menselijkheid, schaalvergroting naast schaalverkleining. Bovendien zijn de nieuwe sociale verbanden in de netwerksamenleving meer fluïde dan de traditionele organisatievormen en is de deelname eraan vaker eenmalig.
Ook de achterdocht jegens de politieke macht betekent niet dat burgerlijke betrokkenheid volledig verdwenen is – integendeel. De civil society, omschreven in het SCP-rapport In het zicht van de toekomst als ‘de sfeer waarin burgers bij uitstek gebruik maken van democratische vrijheden en waarin maatschappelijke organisaties in relaties met elkaar en met overheden democratische verhoudingen realiseren’15, wint aan kracht. Steeds vaker maken burgers deel uit van autonome maatschappelijke verbanden die de basis vormen van die civil society en los staan van wat Infodrome noemt ‘statelijke dwang’ en economisch gewin. Burgers zoeken aansluiting bij functionele activiteiten en organisaties in plaats van bij bijvoorbeeld politieke partijen die het geheel van algemene belangen trachten te dekken.16 Volgens het SCP is het percentage Nederlanders dat langs buitenparlementaire kanalen of via 'onconventionele participatiewijze' positie kiest ten aanzien van ontwikkelingen in de samenleving in de afgelopen jaren voortdurend gestegen. ‘Aldus ontwikkelt de Nederlandse civil society zich van een conglomeraat van logge mammoetorganisaties tot een participatoire proeftuin.’17 Onderdeel daarvan is ook het ontstaan van een nieuw maatschappelijk middenveld van informele, vaak tijdelijke, organisaties, die flexibel zijn en daardoor effectiever dan de oude organisaties die voorheen dat middenveld bezetten. Doordat zij vaak dichter bij de burger staan en minder gehinderd worden door institutionele bureaucratie, winnen zij gemakkelijker zijn vertrouwen.
Dergelijke ontwikkelingen – die het zwaartepunt van de politiek gedeeltelijk kunnen verleggen van het landelijke naar het lokale niveau - maken een herijking van de rol van de rijksoverheid noodzakelijk. Infodrome onderscheidt daarbij twee strategieën: de eerste (‘moderne sturing’) zet radicaal in op het versterken van de sturings- en controlemogelijkheden van de rijksoverheid, terwijl in de tweede strategie (‘empowerment van de samenleving’) de rijksoverheid kaders ontwikkelt ‘waarin burgers, private organisaties en uitvoerders van beleid, hun eigen wensen en pogingen gaan omzetten in versterking van collectieve waarden.’18
7 Advies Media-educatie, december 1996 (f.96.6219/1).
8 De observaties van de Raad in dezen heeft hij gedeeltelijk al eerder geformuleerd – onder meer in het Vooradvies Cultuur, meer dan ooit (2003) en de sectoranalyse Media daarin, maar ook in het advies eCultuur: van i naar e (2003) en zeer recent in zijn advies De publieke omroep voorbij. Een nieuwe rol voor de overheid in het publieke mediadomein (april 2005). Tevens sluiten ze aan bij onderzoeken van het Sociaal Cultureel Planbureau (Van huis uit digitaal, Achter de schermen, In het zicht van de toekomst) en de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (onder meer De staat van de democratie en Focus op functies) en bij tal van andere binnen- en buitenlandse onderzoeken en publicaties. De ontwikkelingen worden hier dan ook niet uit den treure beschreven.
9 SCP, Achter de schermen. WRR, Focus op Functies.
10 Zie ook Infodrome, Controle geven of nemen.
11 Zie ook Onderwijsraad Leren in de kennissamenleving (2003). In zijn zeer recent verschenen advies Educatie en Media (juni 2005) sluit de Onderwijsraad hierop aan.
12 Idem.
13 Achter de schermen, p. 15. Het SCP bespreekt de maatschappelijke veranderingen aan de hand van de zogeheten ‘vijf i’s’: individualisering, informalisering, informatisering, internationalisering en intensivering.
14 Shapiro, The Control Revolution, spreekt in dat kader van ‘disintermediation’.
15 In het zicht van de toekomst, p. 181.
16 Zie ook Infodrome, Controle geven of nemen.
17 In het zicht van de toekomst, p. 197.
18 Controle geven of nemen, p. 17.