In december 2007 kondigde Zawi Hawass, het hoofd van de Raad van de Oudheid van Egypte, een wet aan die alle kunstschatten van het land onder het auteursrecht plaatst. Wie een getrouwe replica van de Sfinx, de piramides van Gizeh of het masker van Toetanchamon wil maken, moet voortaan toestemming vragen en daarna licentiegeld afdragen; wie dat niet doet, zal worden vervolgd. De nieuwe wet, zo zei Hawass, zal in alle landen van kracht zijn. Egypte wil de opbrengst van de licenties gebruiken om haar kunstschatten te onderhouden.2
De aankondiging van Hawass leidde internationaal tot verbazing. Hoezo auteursrecht? De makers van de bewuste kunstschatten zijn meestal onbekend, er is nooit een auteur geïdentificeerd, maar vooral: de makers in kwestie zijn al een paar millennia dood. Auteursrecht op een werk kan tot vijftig of zeventig jaar na de dood van de maker worden uitgeoefend en na die periode wordt zo’n werk onderdeel van het publieke domein en mag iedereen het vrijelijk heruitgeven, hergebruiken of bewerken. Ook Hawass’ waarschuwing dat de Egyptische wet overal ter wereld van kracht zou worden, was hoog gegrepen. Egypte kan naleving van haar nationale wetten elders immers niet afdwingen.
Ergens snapte ik de logica van Hawass wel. Het moet raar zijn om te zien hoe bedrijfjes in Hongkong miljoenen verdienen aan bustes van Nefertiti, Tut en Ramses en dat het Luxor hotel in Las Vegas zich voordoet als de total experience die een bezoek aan het echte Egypte overbodig maakt, terwijl het land zelf — vooral sinds de oorlog in Irak — grote moeite heeft haar toeristenindustrie overeind te houden en zodoende ook om haar restauratieve activiteiten te financieren. Bovendien: het oprekken van het auteursrecht is de laatste jaren schering en inslag. Disney is er al eerder in geslaagd de duur van het Amerikaanse auteursrecht — en daarmee, op termijn, ook dat van het Nederlandse — op te rekken, omdat anders oude filmpjes tot het publieke domein zouden vervallen en Disney er geen geld meer voor zou kunnen eisen. Dus waarom zou Hawass niet ook een poging doen?
Platenmaatschappijen, filmmaatschappijen en tv-studio’s maken zich zorgen over hun materiaal. Op internet wordt flink uitgewisseld en de verkoop van cd’s lijkt te kelderen (hoewel onafhankelijk onderzoek dat geregeld tegenspreekt). De film- en tv-studio’s zien hun verkoop van dvd’s overigens juist fors toenemen, maar ook die stellen steeds dat piraterij hun Waterloo wordt. Vandaar dat de industrie haar schijfjes wel móet beschermen tegen kopiëren, zegt zij.
Consumenten merkten geregeld dat cd’s die ze keurig hebben gekocht, niet in hun computer kunnen worden afgespeeld. Dat de dvd die ze hebben aangeschaft, niet kan worden afgespeeld omdat-ie een regiocode heeft die dvd-spelers niet mogen herkennen. Dat ze geen kopietje van hun nieuwe cd kunnen maken om hem ook via hun mp3-speler te beluisteren.3 Dat liedjes die ze via iTunes hebben gekocht, niet meer werken als ze een andere computer aanschaffen en hun muziekcollectie hebben overgezet.
Dergelijke maatregelen — digital rights management, oftewel DRM — maken dat consumenten de distributiemaatschappijen als een plaag gaan zien.4 Voor films en tv-series komt daar nog een ander element bij: tijd.
In 2004 hoorden we in Nederland dat er een Amerikaanse soap kwam die uitsluitend over lesbische vrouwen ging. Een unicum! Of The L Word hier ooit te zien zou zijn, wist niemand. Iemand downloadde iets. Er waren geheime vertoningen in vrouwencafés en zelfs op festivals. Er ontstond een buzz.
RTL Nederland besloot de serie aan te kopen — misschien juist wel vanwege die buzz — en iedereen die ook maar iets met lesbisch had, keek. Toen seizoen één was uitgezonden en op dvd verscheen, waren de boxen niet aan te slepen. Boekhandel Vrolijk in Amsterdam verkocht er honderden. Het tweede seizoen werd een jaar later uitgezonden, deel twee kwam drie maanden later op dvd uit, en weer kocht iedereen de box.
Bij deel drie liep alles spaak. De tv-zender liet grote pauzes vallen en sjoemelde de vaste tijden weg. De maatschappij die de dvd’s uitbracht, werd overgenomen door Sony, dat besloot de verschijning in Europa uit te stellen. Na maanden zoeken vond boekhandel Vrolijk een partij Duitse — of Engelse, daar wil ik van af zijn — boxen van seizoen drie voor de smachtende cliëntèle, en leerde al snel dat ze die niet mochten verkopen: Sony bepaalde wanneer wat in welk land op de markt zou komen. Zou Vrolijk de Duitse versie gaan leveren, dan zou dat de boekhandel op een zaak wegens illegale parallelle import komen te staan. Ook de iTunes route — in de VS kun je afleveringen van series kopen en downloaden — werkte in Nederland niet: wie vanuit Nederland op de iTunes Store inlogt, krijgt namelijk een andere selectie te zien dan Amerikanen.
De box van seizoen drie mocht van Sony in Nederland pas een jaar na verschijning van de Amerikaanse box worden verkocht. En toen, ja tóen had iedereen ’m al gedownload. De culturele honger was simpelweg te groot om te kunnen wachten tot het Sony behaagde ons te laven. Inmiddels is seizoen vijf in de VS gestart en wacht Nederland nog op de uitzending van seizoen vier; de dvd’s van dat seizoen zijn in nog geen velden of wegen te bekennen.
Soms vraag je je af wie de markt bederft: de consumenten of de distri-butiebedrijven. Het heeft er op zijn minst de schijn van dat de laatsten hun eigen terrein ondergraven door zo fervent vast te houden aan hun oude manieren van verspreiding en regionalisering.