In 2004 besloot de Raad voor Cultuur zich opnieuw te buigen over het onderwerp media-educatie. Een advies dat de Raad in 1996 over dat thema had uitgebracht was positief ontvangen en had pittige discussies opgeleverd. De overheid financierde voorbeeldprojecten en er was een stuurgroep en een platform in het leven geroepen. Toch was de Raad, terugkijkend in 2004, niet onverdeeld positief. Hij stelde vast “dat er veel spelers zijn, rijp en groen, groot en klein, maar dat van kennisoverdracht, continuïteit en effectiviteit nauwelijks sprake is”.1
Maar de belangrijkste aanleiding voor een nieuw advies lag in de technologische en maatschappelijke ontwikkelingen. In de woorden van de Raad: “Maatschappij en cultuur raken steeds verder gemedialiseerd. Weinig blijft onberoerd door (het effect van) de media; van elementen in een omgeving zijn media de omgeving zelf geworden. Deze tendens houdt nauw verband met technologische ontwikkelingen (digitalisering, connectiviteit, convergentie) en met de steeds verdere uitbouw van de informatie- en kennissamenleving. Al die aspecten tezamen spelen een centrale rol bij de veranderende positie van de burger. Zonder de mogelijkheden van internet zou de overheid nooit het beroep op de zelfredzaamheid van de burger kunnen doen dat zij nu doet. Tegelijkertijd geven diezelfde mogelijkheden burgers de kans zich aan het democratisch proces te onttrekken. Men kan zich terugtrekken in zijn eigen digitale wereld, zonder nog per ongeluk of ongewild met andere meningen geconfronteerd te worden.”
De raadscommissie die het nieuwe advies moest voorbereiden nam in een vroeg stadium afscheid van de term ‘media-educatie’, omdat deze te zeer verbonden was met onderwijs en jongeren. Bovendien vond men de term te beperkt gezien de denkrichting die de commissie was ingeslagen: educatie als één, maar dan ook niet meer dan één van de manieren om te komen tot mediacompetentie. De commissie dacht na over de gewenste kennis (om mediaboodschappen te kunnen interpreteren en te kunnen waarderen) en over de gewenste vaardigheden (het bedienen van de knoppen, het zoeken, vinden en gebruiken en het produceren van boodschappen). En ten slotte kwam ze uit op de wenselijke mentaliteit: het besef van de houding waarmee men gebruik maakt van de media. Omdat de Raad adviesorgaan voor regering en parlement is, reflecteerde de commissie bovendien op de relatie tussen burger en overheid en — onontkoombaar — op het functioneren van de democratie in een gemedialiseerde wereld. Vanuit dit brede perspectief bleek ook de term ‘competentie’ tekort te schieten.
De Raad koos uiteindelijk voor ‘mediawijsheid’. De term werd uitgeprobeerd in een brainstorm die de Raad hield met betrokkenen en viel goed. Het advies had daarmee zijn titel gevonden: Mediawijsheid. De ontwikkeling van nieuw burgerschap.