Daarom was het legitiem te kiezen voor representatie door groepen die door de kiezers werden beschouwd als een elite en die elk voor zich een samenhangende visie hadden. Inmiddels zijn de oorspronkelijke praktische belemmeringen weggevallen, onttrekt de elite — zo deze nog bestaat — zich steeds vaker aan de politiek en bestaan er geen samenhangende visies meer waarin de burger zich herkent. Hij vindt in meerdere partijen opvattingen van zijn gading (zoals hij zich als consument, kijker of lezer ook niet meer bindt aan één provider). Toch houden we vast aan het systeem van representatie, en kiezen we al onze wethouders, burgemeesters, statenleden, commissarissen der Koningin, kamerleden, ministers en voorzitters van publieke instanties nog steeds uit de twee procent van de bevolking die lid is van een politieke partij.
De concrete voorstellen inzake participatie — zoals die van de Nationale Conventie en die van het Burgerforum, beide ingesteld door toenmalig minister Alexander Pechthold — zijn door het huidige kabinet terzijde gelegd. Bram Peper (in zijn essay ‘Op zoek naar samenhang en richting’8), Tony Blair (in zijn afscheidsinterview9), Al Gore (in zijn boek The Assault on Reason) en tal van anderen blijven vooralsnog roependen in de woestijn.
Overheden denken bij internet aan verbetering van de eigen producten en aan verbetering van het bereik van de dienstverlening aan burgers. Maar het is veel interessanter en belangrijker om na te gaan wat de burger dankzij internet zélf wil en kan doen. Else Rose Kuiper
Gelukkig zien we door de invloed van internet ook een nieuwe ontwikkeling: naast een ‘commercial economy’ ontstaat langzamer-hand, om met Harvard-hoogleraar Lawrence Lessig te spreken, een ‘sharing economy’10. De eerste wordt gekenmerkt door een read-only-culture, waarin burgers betalen voor informatie (van welke soort dan ook), de tweede door een read-and-write culture, waarin burgers behalve ontvangers ook producenten of makers zijn van informatie. Zie bijvoorbeeld de encyclopedie Wikipedia (inmiddels net zo betrouwbaar als de Encyclopedia Britannica) of wat er op YouTube of MySpace gebeurt.Kortom: de samenleving kent niet meer de piramidestructuur en -organisatie waarin op elk niveau via representatie wordt gehandeld en beslist. En in de platte structuur van miljoenen individuen ligt een schat aan kennis en kunde, vrije tijd en ambitie, waarvan het de kunst is om die aan te boren. Of zoals Lessig het stelt: “De bestaande creatieve capaciteit moet worden gedemocratiseerd.”11 Dat vergt een andere inrichting van bedrijven, organisaties, en mogelijk zelfs van de staat. Als we oog hebben voor de veranderende omgeving, als we een beroep willen en durven doen op de creatieve capaciteit van die miljoenen individuen (die in wezen niets liever willen dan zichzelf uiten, gehoord worden en meespelen), bieden nieuwe media ons een gouden kans.