Cees Hamelink is emeritus hoogleraar Internationale Communicatie aan de Universiteit van Amsterdam en emeritus hoogleraar Media, Religie en Cultuur aan de Vrije Universiteit. Hij houdt zich bezig met de relatie tussen mensenrechten, communicatie en globalisering en is onder andere voorzitter van de Nederlandse Liga voor de Rechten van de Mens. Hij heeft tal van publicaties over deze onderwerpen op zijn naam staan, waaronder het boek Digitaal fatsoen, waarin hij zich afvraagt wat de digitale revolutie betekent voor elementaire beginselen als gelijkheid, veiligheid en vrijheid. De laatste jaren houdt hij zich vooral bezig met het thema communicatierechten van kinderen.
De nieuwe onoverzichtelijkheid
Cees Hamelink moest er even aan wennen, maar hij vindt bij nader inzien het woord ‘mediawijsheid’ een goede omschrijving voor het mondig maken van burgers op het vlak van media en communicatie. “Het begrip media-educatie is te zeer alleen aan onderwijs verbonden, terwijl de term mediawijsheid suggereert dat ook op andere plekken in de samenleving iets moet gebeuren. De moderne samenleving wordt steeds chaotischer en complexer, door Habermas zo mooi omschreven als ‘de nieuwe onoverzichtelijkheid’. Gebrek aan overzichtelijkheid en nieuwe vormen van complexiteit brengen mensen in verwarring. De wereld wordt niet kleiner maar juist steeds groter en daarmee groeit de behoefte aan bemiddeling.”De functie van bemiddelaars — de media, de politiek, het onderwijs — wordt hierdoor steeds belangrijker. Naarmate de wereld meer gemedialiseerd raakt, worden we steeds afhankelijker van die bemiddelaars. We zouden er op moeten kunnen vertrouwen dat zij hun rol goed vervullen en ons ook werkelijk wegwijs maken. Dat vraagt, vreemd genoeg, om een kritische houding, zeker ten opzichte van de grote publieksmedia die ons dominante venster op de wereld zijn. “Het paradoxale is dat je als burger en mediaconsument ten opzichte van de media eerst een gezonde dosis wantrouwen moet hebben ontwikkeld, alvorens je jezelf een goed geïnformeerd burger kunt noemen. Eerst moet je de media leren wantrouwen, dan pas kun je ze vertrouwen." Mensen moeten dus weerbaar worden gemaakt. En dat is in de ogen van Hamelink maar zeer ten dele een zaak van het onderwijs. "Het is een langzaam proces waarbij je mensen gebruik laat maken van hun eigen ervaring en kennis. Mensen zijn ‘streetwise’ en deze ervaring kun je uitstekend gebruiken om hen bewust te maken in de omgang met media en informatie.”
Het recht op informatie
Hamelink refereert graag en veelvuldig aan de fundamenten van het internationaal mensenrecht. De rechters van het Europese Hof hebben over artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de Mens, het recht om informatie te ontvangen, een belangrijke uitspraak gedaan. Zij zeiden namelijk dat burgers het recht hebben om te worden geïnformeerd over publieke zaken (‘to be properly informed about matters of public interest’). “Deze uitspraak heeft een belangrijke betekenis in een democratische samenleving, maar wordt vaak over het hoofd gezien”, zegt Hamelink. Hij was betrokken bij een groep mensen die deze uitspraak als uitgangspunt hanteerde bij het opstellen van een white paper over Europees Communicatiebeleid. Daarin werd bewust gekozen voor het fundamenteel normatieve uitgangspunt dat de burger het recht heeft om geïnformeerd te worden en ook het recht om gehoord te worden. “Dat wordt gezien als een vergaande uitspraak. Als je werkelijk democratisch burgerschap zou willen doorvoeren, dan moet er ook naar die burger geluisterd worden.” Het white paper riep mede daarom veel discussie op, waarbij twee stromingen te onderscheiden waren: de stroming die zich richt op de noodzaak de Europese burger beter te informeren en de stroming die vooral manieren wil vinden om beter naar de Europese burger te luisteren. “Die tweedeling zag je ook terug in het debacle rond de Europese Grondwet. De standaardreactie van Brussel op de afwijzing hiervan door de Franse en Nederlandse burgers is niet ‘we moeten beter luisteren’, maar ‘we moeten het beter uitleggen, de burger is niet goed geïnformeerd’.” Eén van de problemen van Europa is, aldus Hamelink, dat er geen reflexief proces is. “Er is geen gemeenschappelijk communicatieproces waarin Europeanen gezamenlijk nadenken over het Europa dat ze zouden willen hebben.”Wat geldt voor de Europese politiek geldt ook voor de media, meent Hamelink: er zijn in de grote, mainstream publieks-media — en dan met name televisie — eigenlijk nergens open fora waar mensen werkelijk de ruimte krijgen iets te zeggen. “Dat is het grote probleem van massamedia, de televisie voorop: het medium is vooral een medium dat wordt gebruikt voor het doen van mededelingen, het is sterk eenrichtingsverkeer. Het gevolg is dat er niet echt naar mensen wordt geluisterd.” Ligt dit anders bij internet, dat bij uitstek het medium lijkt waar de mediaconsument vrijer (en interactiever) is en bovendien ook als mediaproducent kan optreden? “Het internet heeft de potentie zich als een echt interactief medium te ontwikkelen, een platform waar mensen naar elkaar luisteren en met elkaar in discussie gaan. Maar dat gebeurt over het algemeen niet. Er wordt gechat en je kunt op elkaar reageren, maar dat is iets anders dan naar elkaar luisteren, laat staan dat er een echte dialoog ontstaat. Als je het afzet tegen een volwaardig communicatieproces komen beide media er eigenlijk slecht vanaf.” Ondanks de indrukwekkende en soms inspirerende projecten waar wel degelijk sprake is van interactie en participatie, be-schouwt Hamelink het internet nog altijd als een betrekkelijk marginaal gebeuren in relatie tot grote maatschappelijke ontwikkelingen. “Voor veel mensen is televisie de belangrijkste bron van informatie; daar ontlenen de meeste mensen hun wereldbeeld aan. Je moet niet onderschatten hoe invloedrijk de grote publieksmedia in veel landen zijn: zij bepalen voor een belangrijk deel het politieke klimaat en de aandacht voor maatschappelijke kwesties. Dit kan grote gevolgen hebben, met name voor landen met een relatief arme bevolking, die weinig macht en inspraak heeft.”
Democratisch burgerschap
Hamelink benadrukt dat de vorming van democratisch burgerschap bij uitstek een vraagstuk voor de cultuur- en onderwijssector is. Hoewel hij betwijfelt of het zinvol is media-educatie of zelfs mediawijsheid als apart schoolvak te behandelen, vindt hij dat scholen zoveel mogelijk bij het onderwerp be-trokken moeten worden. “Je moet dit niet als apart vak, met een aparte leraar op scholen aanbieden. Want dat verwordt al snel tot een soort les in het verhinderen dat kinderen ongewenste content tot zich nemen, zonder daar-bij aandacht te besteden aan wat dan wél goede content is. Er wordt kortom niets positiefs tegenover gesteld.” Wat Hamelink vooral mist in het huidige onderwijs, en waar de ontwikkeling van mediawijsheid bij jonge mensen zich op zou moeten concentreren, is het democratisch burgerschap. Uitgangspunt van het integreren van mediawijsheid in het onderwijs is dat er aandacht moet zijn voor het ontstaan en de vorming van modern democratisch burgerschap, vindt Hamelink. “Op een dag, wanneer je volwassen bent, wordt er vanuit gegaan dat je democraat bent, terwijl je geen idee hebt wat dat betekent en dat het allemaal plichten en verantwoordelijkheden met zich meebrengt. Democratie is een heel ingewikkelde bestuurlijke vorm, waarbij veel verantwoordelijkheid bij de burger wordt gelegd. Daar moeten kinderen al jong iets over leren, en gestimuleerd worden erover na te denken en erover te praten met anderen.”Het is Hamelink al vaak opgevallen dat binnen het onderwijssysteem weinig ruimte is voor projecten waarbij media-wijsheid centraal staat. “In veel landen blijkt dat wat in het onderwijs niet lukt, vaak wel lukt in de cultuursector. In bibliotheken en culturele centra ge-beuren vaak de leukste en verrassendste dingen, en worden veel initiatieven genomen die minder gemakkelijk in het conventionele schoolsysteem passen.”
De nieuwe verhalenvertellers
Tot slot stelt Hamelink de rol van de media in de democratische samenleving aan de orde. Als het uitgangspunt is dat het goed zou zijn om vroeg te leren wat het betekent om in een democratische samenleving te leven, dan kan dat alleen door ook over de media en de rol van de media te praten. “Dan kom je bijvoorbeeld op de vraag of zo’n totaal gemedialiseerde samenleving zoals we nu hebben gecreëerd, wel wenselijk is. Bij een democratische samenleving ga je ervan uit dat je de samenleving gezamenlijk vormgeeft, daar gezamenlijk eisen aan stelt. Het betekent eveneens dat het onacceptabel is dat er zoiets is als een autonoom tot stand gekomen oncontroleerbare mediamachine met bijna metafysische proporties.”Het valt Hamelink op dat er tegenwoordig veel minder wordt gepraat over de gevolgen van nieuwe technologieën. “Momenteel worden grote technologische beslissingen niet door burgers genomen, of hun vertegenwoordigers in het parlement, maar door grote bedrijven. Democratie heeft niet alleen een politieke betekenis — al wordt het daartoe veelal beperkt. Wanneer je democratie voedt vanuit een mensenrechtelijke dimensie dan heeft het betrekking op alle maatschappelijke terreinen. Je kan het dan linken aan duurzaamheid, het milieu, welzijn et cetera. Dat was zo krachtig aan de oprichtingsbijeenkomst van wat in Amerika de ‘Cultural Environment Movement’ wordt genoemd, geïnitieerd door George Gerbner. Hierbij werd duidelijk dat, parallel aan het fysieke milieu (de primaire omgeving), er zoiets bestaat als een cultureel milieu (de secundaire omgeving) waarin de grote mediaconcerns een dominante rol spelen. Zij zijn de grote verhalenvertellers van de 21ste eeuw. Het gaat hen echter niet zozeer om het vertellen, als wel om het verkopen van verhalen. Onze verhalen zijn het resultaat van complexe massaproductie- en marketingprocessen.”