Dr. Krijn van Beek was ten tijde van het interview algemeen secretaris van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling. Inmiddels is hij — na een klein jaar aan de Universiteit van Amsterdam gewerkt te hebben — als oprichter van de 2100 Stichting een onafhankelijke denktank begonnen. Door toedoen van de nieuwe media is er de laatste jaren veel veranderd, constateert Van Beek.
Medialogica
Een van de thema’s waar de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling zich op richt is media in relatie tot burgerschap. In het rapport Medialogica beschrijft de Raad de trend dat de media inspelen op nieuws dat burgers interessant vinden en politici vervolgens reageren op wat in de media verschijnt. “Zo ontstaat al snel een situa-tie waarin media, politici en burgers als dollemannen achter elkaar aan rennen en incidenten tot grote proporties worden opgeklopt”, vertelt Van Beek. Een sprekend voorbeeld van 'medialogica' noemt hij de kwestie van de ontsnapte tbs’ers. “Een ontsnapte tbs’er is een incident en omdat burgers dit interessant nieuws vinden, schenken de media er uitgebreid aandacht aan. Slimme politici spelen daar op in en — zoals de parlementaire enquêtecommissie naar het tbs-systeem heeft geconcludeerd — voor je het weet roept de hele Tweede Kamer dat het tbs-systeem op de helling moet.”Met de enquêtecommissie acht Van Beek het niet raadzaam aan de hand van één incident een heel systeem ter discussie te stellen. “Het probleem is dat media en politiek gevangen zitten in dit spel. Politici die er niet aan meedoen, zijn te weinig zichtbaar en raken kiezers kwijt. Journalisten die er niet in slagen nieuws te maken dat de zappende kijker weet vast te houden, moeten vrezen voor hun baan. Dit spel noemen we medialogica en het werkt populisme in de hand.”
De vraag is hoe dit systeem van medialogica doorbroken kan worden. Volgens Van Beek is meer openheid van zaken van groot belang. “Bij een kwestie als die van de ontsnapte tbs’ers is het cruciaal dat de overheid niet alleen incidenten meldt, maar ook actief infor-matie produceert over het tbs-systeem als geheel, zodat de media incidenten in hun context kunnen plaatsen en er een zinvol gesprek kan plaatsvinden. Alleen de mededeling doen dat er een tbs’er is ontsnapt, leidt tot een kettingreactie van over elkaar heen buitelende meningen. De overheid kan dit voorkomen door actief informatie aan te bieden aan burgers. Goed geïnformeerde burgers zijn kritischer en daardoor mediawijzer.”
Een andere manier om medialogica te doorbreken is het verschuiven van de verantwoordelijkheid van de overheid naar de betrokken tbs-instelling. “Als een tbs’er ontsnapt, gaan journalisten direct naar de minister van Justitie, terwijl het misschien logischer zou zijn als zij een bezoek zouden brengen aan de verantwoordelijke directeur”, aldus Van Beek.
Nieuwe vormen van solidariteit
Op een heel ander vlak signaleert Van Beek dat dankzij de nieuwe media de maatschappelijke dynamiek verandert en er nieuwe vormen van solidariteit ontstaan. Een voorbeeld hiervan zag hij bij de introductie van het nieuwe zorgstelsel. “Aanvankelijk bestond de angst dat chronisch zieken zich in het nieuwe stelsel moeilijker zouden kunnen verzekeren, maar deze vrees bleek niet terecht. Juist chronisch zieken bleken zich zeer snel te kunnen organiseren via internet, bundelden hun krachten en vormden als collectief een krachtig tegenwicht in onderhandelingen met zorgverzekeraars.” Zonder het internet hadden dit soort collectieve krachten niet op gang kunnen komen, stelt Van Beek. “Al langer waren we bekend met de organisatiekracht van internet — bijvoorbeeld de zogeheten antiglobalisten maakten al vroeg gebruik van het medium om wereldwijd activisten te mobiliseren — maar hier ontstond ineens een alternatief voor de bescherming van onze verzorgingsstaat. We dachten altijd dat solidariteit door de overheid georganiseerd moest worden, maar hier zagen we spontaan maatschappelijke coalities ontstaan die solidariteit organiseren.”Hij vindt dat de overheid hier slim gebruik van zou moeten maken, ook al is het voor de overheid niet gemakkelijk de ontwikkelingen bij te benen. “De overheid heeft nog wel eens de neiging te denken dat ze zelf informatie moet maken, terwijl ze ook als regisseur in een informatiewereld kan opereren. Bijvoorbeeld waar het gaat om informatie over de kwaliteit van medische diensten, kiesbeter.nl. Dat doet de overheid nu zelf, terwijl je je ook kunt voorstellen dat ze een transparantieplicht oplegt aan de sector zodat patiënten- en consumentenorganisaties zelf in competitie met elkaar bruikbare informatie produceren. Dit leidt tot meer dynamiek en draagt eraan bij dat informatiebronnen kritischer ten opzichte van elkaar komen te staan.”
Veranderende verhoudingen
Per generatie doen zich andere hiaten voor met betrekking tot mediagebruik en mediawijsheid. Voor de jongere generaties geldt dat zij de kritische distantie ten opzichte van de nieuwe media missen, meent Van Beek, maar hij denkt dat dit probleem zich vanzelf oplost. “Fenomenen als happy slapping of pesten via MSN hebben een tegenbeweging op gang gebracht. Door dit soort uitwassen wordt er opeens gesproken over de manier waarop jongeren met nieuwe media omgaan. Er is vaak sprake van een grote mate van zelfcorrectie; de samenleving kent ook op het gebied van mediawijsheid een interne dynamiek.” Hierin ligt ook het onderscheid tussen mediawijsheid en een vak als media-educatie, zegt Van Beek: “Media-wijsheid heeft veel te maken met omgangsvormen. Kinderen moeten leren hoe ze met elkaar om dienen te gaan. Ze moeten begrijpen dat je een ander niet slaat als je het niet met hem eens bent. Dat is immers de basis voor democratisch burgerschap.”Voor de oudere generaties gelden weer andere problemen, zoals de omgang met de techniek. “Maar ook ouderen leren snel en vinden op allerlei manieren de nodige bijscholing. Belangrijker is dat de nieuwe media de verhoudingen in de samenleving veranderen. De verhouding tussen leek en professional is bijvoorbeeld niet meer zoals voorheen, traditionele kennismonopolies zijn aan erosie onderhevig. Artsen bijvoorbeeld zijn hard bezig te wennen aan patiënten die met allerlei informatie van internet aankomen; soms prima, soms onjuist, maar in beide gevallen zorgt dit voor een ander gesprek in de behandelkamer.”