Na een lange carrière op het Ministerie van Financiën is dr. Nout Wellink sinds 1997 president van De Nederlandsche Bank. Wellink beschouwt het als een van zijn belangrijkste taken om de verwachtingen en het vertrouwen van de burger ten aanzien van de economie “te managen”. Vertrouwen is namelijk een van de belangrijkste voorwaarden voor een goeddraaiende economie, en de media spelen hierin een cruciale informerende rol.
Verwachtingen managen
Tegenwoordig nemen burgers veel actiever deel aan de samenleving dan voorheen. De belangrijkste veroorzakers van deze toegenomen participatie zijn de nieuwe media, meent Wellink. “Vroeger hadden burgers veel minder mogelijkheden om zichzelf te informeren. De informatievoorziening vond voornamelijk plaats via de grote instituties en de burgers hadden een groot vertrouwen in de instituties en de overheid.” Dat tegenwoordig iedereen zichzelf kan informeren, middels een scala aan informatiebronnen, ondermijnt het vertrouwen in de instituties, volgens Wellink. De democratisering van informatie ziet hij als een positieve zaak, al kleven er ook gevaren aan. “Hoe leer je burgers met die ongelooflijke hoeveelheid informatie om te gaan? En komt de belangrijkste informatie wel bij alle burgers terecht?”Wellink constateert dat de omgeving waarin we leven een stuk dynamischer is dan vroeger. Om in economische termen te spreken: het inkomen per hoofd van de bevolking is sinds de Tweede Wereldoorlog met 800 procent gestegen. “Ik denk dat in deze nieuwe dynamiek verwachtingspatronen zijn ontstaan die we niet onder controle hebben. Daarom is het managen van verwachtingspatronen, in ons geval ten aanzien van de economie, belangrijker dan ooit. Het is van groot belang dat zo veel mogelijk informatie vrijgegeven wordt, en dat deze informatie ook nog eens bij iedereen terecht komt.” Als de overheid niet in staat is om verwachtingspatronen te managen, verliest de burger het vertrouwen in de overheid. “De overheid bemoeit zich momenteel met zeer veel zaken, waardoor ze bij de burger verwachtingspatronen creëert waar ze niet aan kan voldoen.”
Openheid
De media spelen volgens Wellink een belangrijke rol in het managen van vertrouwen, het zijn immers de media die de burger van informatie voorzien. Daarom nodigt Wellink met regelmaat journalisten uit, die precies uitgelegd krijgen wat De Nederlandsche Bank doet, welke keuzes gemaakt worden en waarom deze keuzes gemaakt worden. “Door heel open te zijn tegen de pers hopen we te bereiken dat bij burgers geen verkeerde verwachtingen ontstaan ten aanzien van de economie, en proberen we het vertrouwen in de economie zo constant mogelijk te houden.” Het managen van vertrouwen blijft een heikele zaak, vertelt Wellink. “Verwachtingspatronen kennen een eigen dynamiek. Kijk bijvoorbeeld naar het beeld dat mensen van de economie hebben. Tot 2005 had iedereen het idee dat het erg slecht ging met de economie, terwijl er in de jaren voor 2005 niet één keer sprake is geweest van negatieve groei.” Wellink probeert met De Nederlandsche Bank de mogelijkheden die hij krijgt om vertrouwen te winnen zo veel mogelijk te benutten. “Wij creëren geen verwachtingen die we niet waar kunnen maken. Zo presenteren we ons als een stabiliserende factor en dat werkt positief op het vertrouwen van de burger.”Media-educatie
Een van de belangrijkste vaardigheden die de burger moet zien te verwerven is de kritische distantie ten aanzien van informatie uit de media. “Hoe moet je een krant lezen? Wat is serieuze informatie? Zijn dit bewerkte foto’s of niet? Het zijn allemaal vragen die burgers zich zouden moeten stellen.” De basis voor deze vaardigheden wordt gelegd in het onderwijs, meent Wellink. “Aan het verkrijgen van mediawijsheid, gaat media-educatie vooraf. Kinderen moeten zo vroeg mogelijk leren met informatie om te gaan.” Als er al sprake is van een generatiekloof tussen volwassenen en kinderen, dan lost zich dat met de tijd vanzelf op, denkt Wellink. “Docenten hebben weliswaar een technische achterstand op kinderen, maar het feit dat leraren informatie beter kunnen wegen vind ik een stuk belangrijker.”Wellink ziet weinig in het idee van een mediacoach. Hij is bang dat een mediacoach zonder status en macht weinig zal kunnen veranderen op school. Maar wat moet er dan wel gebeuren om de mediawijsheid van kinderen op scholen te bevorderen? “Ik denk dat er twee opties zijn: of je maakt van media-educatie een officieel vak, of je zorgt ervoor dat elke leraar zich bewust is van het belang van mediawijsheid. In het laatste geval zou je bijvoorbeeld moeten zorgen dat in een vak ‘gezondheidszorg’ aandacht geschonken wordt aan de vraag hoe je met informatie omgaat. Is de kennis die je van internet haalt betrouwbaar of niet? En hoe verstandig is het om zelf voor dokter te spelen?” Het gaat Wellink niet alleen om het kunnen inschatten van de betrouw-baarheid van informatie. “Het is ook van belang dat mensen leren wanneer ze moeten stoppen met het verzamelen, absorberen en selecteren van informatie.”