Mediawijsheid
in perspectief
Paul Schnabel 
Prof. dr. Paul Schnabel is socioloog van origine en sinds 1998 directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau, een wetenschappelijk instituut dat zelfstandig onderzoek doet en de resultaten ervan in gevraagde en ongevraagde adviezen voorlegt aan de regering, Eerste en Tweede Kamer, ministeries en andere maatschappelijke en overheidsinstanties. Daarnaast is hij een van de zeven universiteitshoogleraren van de Universiteit Utrecht, is hij een productief columnist en bekleedt hij een veelheid van bestuursfuncties, onder andere in de kunst- en cultuurwereld.
Omgekeerd generatiepunt
Met de toenemende digitalisering en medialisering ontstaat er, aldus Paul Schnabel, een nieuw generatieverschil. Voor het eerst in de geschiedenis zijn jongeren vaardiger dan ouderen. Schnabel noemt het een ‘omgekeerd generatiepunt’, en verwijst naar de SCP-rapporten Achter de schermen (2004) en Nieuwe links in het gezin (2007),waarin dat generatieverschil besproken wordt. Maar wat betekent die vaardigheid van jongeren? “Ouderen zijn kritisch en willen geïnformeerd worden. Jongeren zijn in staat een grote toegankelijkheid te creëren, maar passen minder kritische reflectie toe.” Daar ligt volgens Schnabel een rol voor het onderwijs. Dat heeft in zijn ogen de taak kinderen te leren hoe ze “op een kritische en weloverwogen manier informatie kunnen beoordelen om er rijker van te worden”. Maar ook moeten kinderen besef krijgen van zoiets als beeldmanipulatie, zodat ze begrijpen – en dat is vooral voor pubers van belang – dat media hen bijvoorbeeld vaak lichaamsbeelden voorspiegelen die gespeend zijn van elke realiteitswaarde. Media-educatie, als opstap naar mediawijsheid, kan in de ogen van Schnabel waarschijnlijk het beste worden ingevoegd in het vak maatschappijleer, waar ook staatsinrichting en democratisch burgerschap tot de lesstof behoren. Ook moet het worden opgenomen in de Pabo-structuur.
Zelf acht Schnabel zich overigens exemplarisch voor de oudere generatie: “Ik gebruik internet als zoekmachine, maar ben verder niet actief op de digitale snelweg. Dat kost te veel tijd en levert te vaak non-informatie op.”
Leren door schade en schande
Behalve voor kinderen, ziet Schnabel weinig heil in overheidsbemoeienis met nieuwe media en internet, ook niet als het gaat om toegankelijkheid van informatie en het aanleren van vaardigheden voor de selectie van betrouwbare informatie. “Voor ouderen wordt het lastiger. Die moeten het door schade en schande leren. Er zijn wel vraagmerken – merken die je helpen bij het maken van keuzes uit het enorme aanbod aan informatie op internet – maar die kweken ook weer afhankelijkheid. Vergelijk het met de ANWB: omdat de hulpverlening op de weg goed is, koopt men er ook kleren. Maar wie zegt dat de kwaliteit van die kleren ook goed is? Niemand, je vertrouwt op de reputatie van het merk op ander gebied.” Bovendien, voegt Schnabel toe: “Het is maar de vraag hoeveel kwaliteit mensen hechten aan betrouwbare informatie. Veel mensen hechten aan verleidende informatie. Sommigen keren zich zelfs willens en wetens af van betrouwbare informatie. Kijk naar Sylvia Millecam, die systematisch elke betrouwbare bron afwees. Mensen zijn niet altijd rationeel.”
Mediawijsheid kan niet afgedwongen worden; dat moet de overheid ook niet willen. Volgens Schnabel komt het wel vanzelf, al kost dat misschien voor sommigen meer tijd dan voor anderen. “Het is altijd zo geweest dat er verschillen zijn in vaardigheden en motivatie. Er zijn ook altijd mensen die lui zijn of niet willen. Maar mensen worden allemaal wilskrachtig op het moment dat ze de nadelen van hun luiheid ondervinden. Wanneer het echt belangrijk is voor mensen, dan lost dat verschil in dimensies zich wel op. Er is nu bijna niemand meer die zijn belastingformulier niet online invult, of zijn vakantie niet online boekt. Dat was tien jaar geleden ondenkbaar. Mensen kunnen heel veel zelf, als ze het belang ervan voor zichzelf maar van inzien. Mensen zijn gewoon heel selectief en dat vooral in de richting van het eigen voordeel.”
Marginale rol voor de overheid
De overheid heeft natuurlijk wel een rol, aldus Schnabel, als het om fysiek of verstandelijk gehandicapten gaat; voor hen is vruchtbaar computergebruik niet zomaar weggelegd. Ook bibliotheken dicht Schnabel een functie toe waar het gaat om mediawijsheid. “Bibliotheken vervullen al een belangrijke functie in de informatievoorziening en hebben bovendien een zeer groot ledenbestand. De populariteit van de ICT-voorzieningen van bibliotheken bij jonge allochtonen is opvallend. ” Maar voor het overige acht Schnabel de ruimte voor het rijk gering om via beleid de mediaontwikkelingen te sturen. “Op de traditionele media kon de overheid haar invloed doen gelden, zowel op de omroep en het omroepbeleid als op de variatie en openheid van kranten. Bij de gedigitaliseerde media is het een ander verhaal. Deze zijn niet meer nationaal en zijn meer en extreem geïndividualiseerd. Het gebruik van kranten en omroepen is in kaart te brengen; aanbod en afname zijn meetbaar, bijvoorbeeld in abonnee-aantal of in aantallen tv-kijkers. Bij het internet is dat niet meer het geval. Omdat er geen keurmerken zijn voor betrouwbaar internet, laat ook de kwaliteit van het internet zich niet meten. De greep van de overheid op internet is dan ook uiterst beperkt” “Als je die overheidsinvloed al zou willen”, voegt Schnabel daar aan toe, want de geschiedenis leert dat de overheid ontwikkelingen soms eerder vertraagt dan versnelt. “Het was immers de Omroepwet die maakte dat de multimedialisering van de Publieke Omroep mislukte, want die wet verbood de Omroep zich op enige schaal buiten de gebaande paden van televisie en radio te treden. Dat gaat nu pas veranderen. ”
Gemeenschapszin
Digitale media maken het mogelijk dat er nieuwe sociale netwerken ontstaan. Moet de overheid daar iets mee, gegeven het feit dat traditionele maatschappelijke banden verdwijnen en verhoudingen tussen verschillende groepen in de maatschappij moeizamer worden? Bijvoorbeeld door het financieel faciliteren van lokale netwerken? Schnabel meent dat de overheid zich ook hier terughoudend moet opstellen: “Het lijkt wel alsof er steeds minder sociale verbanden zijn, maar ze zijn veeleer alleen maar minder zichtbaar, doordat mensen contact onderhouden via email of msn. Bovendien zie je keer op keer hoeveel creativiteit er bij mensen zelf is. In allerlei wijken organiseren bewoners zelf bijeenkomsten en feesten. Vaak wil men niet eens dat de gemeente er zich mee bemoeit. In het algemeen werkt particulier initiatief goed. Patiëntenverenigingen worden steeds belangrijker, private fondsen en organisaties. Het Kankerfonds bijvoorbeeld heeft meer geld beschikbaar voor onderzoek dan NWO. Het Oranje Fonds, waar ik in het bestuur zit, levert met zijn projectfinanciering een duidelijke bijdrage aan de verbetering van de leefkwaliteit van bepaalde wijken. En die projecten worden door de wijkbewoners zelf gedragen. Dat heeft ook onze voorkeur. Het werkt beter dan wanneer het door of vanuit de overheid was gebeurd. De overheid is daarvoor vaak ook niet snel en inventief genoeg.”
Media en milieu
Is het tijd voor een een versterking van het mediabewustzijn van mensen, naar analogie van het milieubewustzijn? “De kracht van de milieubeweging was het feit dat ze kon aangeven wat de urgentie ervan was: ‘Als we nu niets doen, zijn er over zoveel jaar geen oerbossen of sneeuwkappen meer’. Die urgentie zie ik niet op het terrein van de nieuwe media. Mensen zien alleen de mogelijkheden die de nieuwe media bieden. Wat ik wel voorzie is dat er een crisis in het systeem zelf komt; het systeem gaat zichzelf steeds meer in de weg zitten, met alle firewalls tegen spam, pishing, identity theft en dergelijke. Misschien blaast het zichzelf op, maar dan zal het in betere vorm toch weer terugkeren. De nieuwe media zijn meer nog dan radio of televisie de echte opvolgers van de revolutie die door de uitvinding van de boekdrukkunst ontstond. Alles is voor iedereen beschikbaar, nu alleen nog even selecteren.”
Interviews