logo Raad voor Cultuur

Mediawijsheid
in perspectief

www.cultuur.nl contact colofon

René de Voer

Ten tijde van het interview was René de Voer de buurtregisseur van de Fannius Scholtenbuurt, onderdeel van de Staatsliedenbuurt in Amsterdam. Het begrip buurtregie is in 2000 geïntroduceerd en vormt onderdeel van nieuw (landelijk) politiebeleid. Om de leefbaarheid en veiligheid op een hoger niveau te brengen, moet de politie in veel directer contact komen met de burger, op verschillende niveaus. “De tijd dat de politieman met vijftig kilometer per uur door de buurt kon rijden totdat hij werd aangesproken, ligt voorgoed achter ons.”


Signaleren en anticiperen

De Fannius Scholtenbuurt is een speciale buurt, zo blijkt als René de Voer begint te vertellen. De buurt heeft een rijk krakersverleden en er wordt nog regelmatig een nieuw kraakpand ontruimd. Hoewel de buurt een grote etnische diversiteit kent, is het merendeel van de bewoners van autochtone afkomst. Er zijn grote sociaal-maatschappelijke problemen: (relatief) veel mensen kampen met een psychische stoornis, verslaving, of bevinden zich in een sociaal isolement. Kenmerkend is het hoge aantal zogeheten ‘1%-woningen’, goedkope woningen die door woningcoörporaties worden gereserveerd voor crisissituaties.
Het idee achter de buurtregisseur is simpel, vertelt René de Voer, die hiervoor een speciale opleiding heeft doorlopen (de leergang buurtregie van de politieacademie). Elke buurt heeft een politiefiguur in dienst die goed bekend is met de buurt, die zich actief opstelt, die zichtbaar is en die direct, op straat kan worden aangesproken. “Het doel is problemen veel eerder te signaleren. Ervaring leert dat er veel winst te halen valt bij het anticiperen op mogelijke spanningen en problemen.” Uitgangspunt daarbij is dat de politie niet alleen optreedt wanneer het moet –nadat conflicten zijn opgetreden- maar de problemen in zekere zin vóór is. Er wordt zodoende minder nadruk gelegd op crisisbestrijding en des te meer op monitoring.
Belangrijk is de laagdrempeligheid van de buurtregisseur: veel wordt bereikt door in de wijk te lopen en ervoor te zorgen dat mensen je weten te vinden. Dat kan doordat het werkgebied van de buurtregisseur vier- tot vijfduizend inwoners ‘bestrijkt’, terwijl voor bijvoorbeeld een traditionele wijkagent een veel groter gebied geldt van soms wel veertigduizend inwoners. Daarbij is de buurtregisseur ook een sleutelfiguur: er wordt veel samengewerkt met allerlei lokale organisaties zoals de geestelijke gezondheidszorg, woningbouwverenigingen, de GGD en maatschappelijk werk. Het werk van een buurtregisseur bestaat dan ook voor een belangrijk deel uit coördineren en overleg met deze organisaties, vertelt De Voer. “We wisselen steeds meer informatie uit. Dat is een langzaam verlopend proces, maar sinds kort hebben we een convenant waarin een aantal drempels wat betreft privacygevoelige informatie wordt geslecht, wat het eenvoudiger maakt elkaar rapportages toe sturen. We streven ernaar in de toekomst ook elkaars databases te kunnen raadplegen.”

Communicatie

Communicatie – op meerdere niveaus - is voor een buurtregisseur van essentieel belang. Beeldvorming is daarbij vaak een bepalende factor, zegt De Voer. “In veel gevallen betekent communicatie met buurtbewoners simpelweg het wegnemen van vooroordelen en het corrigeren van eenzijdige beeldvorming over specifieke situaties of problemen.” De Voer is een groot voorstander van direct contact met mensen. “Het is misschien makkelijker om vragen bijvoorbeeld via e-mail te beantwoorden, maar alleen als mensen je direct kunnen aanspreken kan er een gesprek ontstaan.” Daarbij zijn nieuwe communicatietechnologieën zeer behulpzaam. Zo heeft De Voer een PDA waarop hij 24 uur per dag te bereiken is. Het nummer is onder andere via de gemeentesite te vinden. Ook kan hij op locatie op zijn PDA gegevens invoeren en deze naar zichzelf mailen waarna hij de mutatietekst op kantoor direct kan gebruiken.

Nieuwe media

Ondanks deze mogelijkheden relativeert De Voer het nut en gebruik van nieuwe media. Hij ziet de kloof tussen mensen die wel of niet gebruik maken van moderne communicatiemiddelen zoals computers, mobiele telefoons en internet alleen maar toenemen. “Er wordt vaak niet bij stilgestaan dat er voor het gebruik van dit soort apparaten een minimaal kennisniveau nodig is. En in Fannius Scholtenbuurt bevinden veel mensen zich op dat gebied in een achterstandspositie, waarvan de kans zeer klein is dat die zal worden ingehaald. Vaak is het ook een mentaliteitskwestie: ‘Ik heb de boot nu eenmaal gemist, ik doe mijn best niet meer, ik zoek het zelf wel uit’.” De Voer kent voorbeelden waarbij mensen uit de lokale gemeenschap sites maken rond een concert, een buurtactiviteit of zelfs een groep hangjongeren, maar benadrukt het beperkte bereik van dit soort initiatieven. “Een kleine groep mensen die er toch al mee werkt wordt bereikt, maar dat geldt niet voor de meerderheid.” De Voer zou graag een deel van zijn kantoor reserveren voor een aantal pc’s waar mensen gebruik van kunnen maken, waarbij ze ook worden bijgestaan, bijvoorbeeld bij het doen van elektronische aangiften, het opstellen van brieven, etcetera. Hij schat dat over circa tien jaar politiebureaus standaard zullen worden uitgerust om meer van dit soort diensten te kunnen bieden.

Wantrouwen

De overheid, zoals de politie en het stadsdeelkantoor, wordt door sommige buurtbewoners en bepaalde groeperingen met een zeker argwaan en soms wantrouwen benaderd. Bewoners komen relatief snel in opkomst als het ze niet zint. Die mondigheid is in principe goed, zegt De Voer, maar kan in combinatie met de communicatie via internet ook lastig zijn. “Informatie kan makkelijker uit zijn verband gerukt worden en mensen kunnen er mee op de loop gaan. De inhoud is altijd multi-interpretabel, het is aan de lezer om zijn eigen interpretatie te geven van de boodschap. Het probleem is dat er geen keurmerk is voor internet en je kunt de kwaliteit van de informatie die je aantreft niet toetsen. Veel informatie op het internet is gekleurd en ongenuanceerd, en afkomstig van slechts één bron. Het is voor sommige mensen bovendien lastig een onderscheid te maken tussen diverse bronnen.”
Concluderend meent De Voer: “De nieuwe media hebben de communicatie niet per se verbeterd. Eigenlijk verliep de onderlinge communicatie in de jaren ’80 en ’90 makkelijker. Dat heeft ook te maken met andere tendensen, zoals de individualisering. Vroeger waren mensen actief bij de buurt betrokken. Om iets te initiëren moest iemand deur aan deur gaan flyeren. Het bereik was toen groter: ook digibeten kwamen bijvoorbeeld in aanraking met een actie of initiatief. Daarnaast was ook de kwaliteit van de boodschap hoger, mensen konden immers doorvragen en uitleg geven,elkaar in de ogen kijken.”
Interviews
Politie zet overvallers op internet
Loverboy omarmt het internet
Camera's voor observeren vliegtuig-passagiers
VIIIWij volwassenen hebben de media-omgeving van onze kinderen gecreëerd en daarom hebben kinderen het recht op onze uitleg.
Download de uitgave 'Mediawijsheid in Perspectief'  (PDF, 6.25 Mb)