Als zelfstandig ontwikkelaar en adviseur op het gebied van onderwijsinnovatie ontwerpt Sonja Vetter vernieuwende concepten voor digitaal onderwijs. Ook maakt zij deel uit van een denktank die zich bezighoudt met het ontwerpen van de school van 2020. Met een groep van acht rectoren en tien leerlingen werkte zij, in opdracht van 'Kennisnet/ict op school', aan het ontwikkelen van een visie op het onderwijs van de toekomst.
Een onoverbrugbare kloof
Tussen leraren en leerlingen is een onoverbrugbare kloof ontstaan op het terrein van het gebruik van de computer en internettoepassingen, blijkt uit recent onderzoek van Alfons ten Brummelhuis (‘Aansluiting onderwijs en digitale generatie’, in Jos de Haan en Christian van ‘t Hof (red.), Jaarboek ICT en samenleving 2006: De digitale generatie). Dat is zorgelijk, meent Sonja Vetter, die het onderzoek aanhaalt. "De lerarenopleiding wil toekomstige leraren ict- en media-educatie aanbieden, maar de opleiders behoren zelf tot de leeftijdsgroep die weinig weet van ict", legt Vetter uit. "Bovendien leiden zij jongeren op voor scholen waar de cultuur wordt bepaald door leraren uit dezelfde leeftijdsgroep, die, zonder iedereen over een kam te willen scheren, tamelijk traditioneel is." De gemiddelde leeftijd van leraren in het voortgezet onderwijs is hoog (nl. 46). Tot zij met pensioen gaan, moeten deze leraren alle vernieuwingen op het gebied van ict doorvoeren.In het primair onderwijs is de situatie iets gunstiger, maar daar bestaat een andere kloof tussen leraren en leerlingen: het overgrote deel van de leraren (tachtig à negentig procent) is vrouw. "Dat hoeft geen probleem te zijn", vervolgt Vetter, "maar helaas hebben vrouwen van boven de veertig weinig affiniteit met internettoepassingen."
Hoewel er grote verschillen bestaan tussen scholen geldt in het algemeen dat veel basisscholen over verouderde apparatuur beschikken. Ook hebben zij weinig technische kennis in huis en is het aantal internetaansluitingen klein.
Vetter is zich ervan bewust dat zij een negatief beeld schetst van het onderwijs, maar ze benadrukt dat dit de realiteit is, zeker voor jonge mensen. "Jonge leraren, voor zover ze er nog zijn, komen terecht in een setting waarin het niet normaal is dat je internetapplicaties en -toepassingen kunt gebruiken op momenten dat het jou uitkomt. Ze komen terecht in een lokaal zonder voorzieningen en in een dominante cultuur waarin je je moet gedragen zoals deze cultuur voorschrijft." Bovendien krijgen jonge leraren slecht betaald en moeten zij in het onderwijs zelf hun apparatuur, hun laptop, hun internetverbinding en hun abonnementen betalen. Dit in tegenstelling tot het bedrijfsleven, waar de werkgever zijn personeel de benodigde middelen en de juiste opleiding verschaft, aldus Vetter.
Mentaliteitsverandering
Als jongeren het onderwijs de rug toekeren en scholen oudere leraren niet stimuleren zichzelf te ontwikkelen, wordt de kloof tussen leraren en leerlingen niet kleiner. Een gebrek aan enthousiasme voor het gebruik van nieuwe media (ict) in het onderwijs en een gebrek aan investeringen beschouwt zij als de grootste knelpunten. Het eerste probleem valt volgens Sonja Vetter op te lossen door leraren te overtuigen van de voordelen van bijvoorbeeld een digitale leeromgeving. Vetter is voorstander van de school op internet: een virtuele school met klaslokalen en werkplekken voor leraren en leerlingen. Leraren kunnen op de website materiaal plaatsen dat leerlingen nodig hebben voor hun onderwijs. Vetter: "Leerlingen vinden het leuk om zelf iets te krijgen en leraren vinden het prettig dat leerlingen tevreden zijn. Ook ouders reageren positief, bijvoorbeeld omdat zieke kinderen via internet toch op de hoogte kunnen blijven van het werk dat zij moeten doen. Dat zijn succesfactoren."Het tweede probleem is een tekort aan financiën. Scholen voor voortgezet onderwijs worden krap bekostigd. De personeelskosten bedragen 86 procent van de lumpsum; slechts 13 procent van het budget is beschikbaar voor materieel. "Wat resteert als reserve, één procent van het budget, is te weinig om vernieuwing te realiseren", rekent Vetter voor. "Schoolleiders hebben weinig speelruimte. De overheid heeft ict-gelden in de lumpsum gestort, maar scholen hebben geen visie ontwikkeld op het gebruik van ict in de toekomst. Dus wat gebeurt er? Systeembeheerders en ict-coördinatoren bepalen wat er moet gebeuren. De schoolleiding verzuimt af te schrijven op de ict-kosten, zodat er geen reserve wordt opgebouwd. Na twee, drie jaar is er geen geld meer voor vernieuwing. Wat ontbreekt in het onderwijs is een bedrijfsmatige aanpak. De praktijk bewijst het: de apparatuur op een gewone school is sterk verouderd."
Het onderwijs in 2020
Om een school toe te rusten voor het onderwijs in 2020 stelt Vetter een aantal maatregelen voor. De lesstof zou zij verdelen in een deel verplichte stof en een deel keuzetrajecten. "Maak van deze keuzetrajecten vergezichten", oppert Vetter. "Zo’n traject kan voor de een minder ver zijn dan voor de ander, maar je kunt ze virtueel interessant maken met portfolio’s ." Een andere maatregel behelst ingrijpende verbouwingen aan schoolgebouwen, om deze aan te passen aan de eisen van de toekomst. "Een school zal moeten kunnen beschikken over een medialab, voor video, muziek en sampling, want daar zijn leerlingen mee bezig. Verder dient de school te beschikken over een experimentenlokaal, waar je bètagerichte experimenten kunt uitvoeren."In tegenstelling tot veel van de huidige scholen, die vaak met hun rug naar de maatschappij staan, heeft de school in 2020 een functie in de buurt. Leerlingen geven bijvoorbeeld cursussen aan buurtbewoners op het gebied van video en ict. Natuurlijk heb je dan als school ook je eigen videojournaal maar leerlingen leveren ook hun bijdrage aan stads- en dorpsjournaals. "In feite betekent dit dat je van je school een onderneming maakt, waarin de ondernemersgeest kan worden toegepast."
Als Vetter minister van onderwijs zou zijn, zou zij ervoor zorgen dat scholen in hun begroting meer ruimte kregen voor materiële kosten en innovatie. Scholen zouden binnen hun gebouw meer ruimte moeten krijgen en geven om te experimenteren. Ook zou zij een traject ontwikkelen om een beperkt aantal scholen die willen om te vormen tot innovatieve onderwijsinstellingen. Wanneer je een experiment doet binnen een traditionele setting is de kans groot dat het mislukt, meent Vetter. "Ideaal zou zijn als je met een tiental scholen helemaal opnieuw kon beginnen, met mensen die kunnen en willen innoveren. Zo kun je laten zien dat je heel veel kunt bereiken zonder rigoureuze onderwijsvernieuwingen."