Uri Rosenthal is voorzitter van het COT Instituut voor Veiligheids- en Crisismanagement, dat organisaties in de publieke en private sector ondersteunt in crisissituaties en bij veiligheidsvraagstukken. Daarnaast is hij hoogleraar bestuurskunde aan de Universiteit Leiden en voorzitter van de VVD-fractie in de Eerste Kamer. Als hoogleraar publiceert Rosenthal regelmatig over de rol van de media in de politiek en over contacten tussen ambtenaren en media. Met Frits Bolkestein samen schreef hij voor de Liberale Internationale een rapport over de verantwoordelijkheid van de media (Noordwijk, 1996).
Technische kennis
Op de vraag hoe burgers mediawijzer gemaakt zouden kunnen worden, antwoordt Uri Rosenthal dat er voldoende aandacht moet zijn voor de manier waarop mediaproducten gemaakt worden. “Mensen kunnen pas mediawijs worden als ze inzicht hebben in het technisch functioneren van de media. Mijn jongste dochter heeft als editor bij een befaamde cineast gewerkt. Ik heb toen een keer kunnen zien hoe ongelooflijk gemakkelijk je met behulp van media de beelden kunt construeren en reconstrueren.” Als mensen begrijpen wat je alleen al met montagetechnieken kunt doen, leren ze volgens Rosenthal “achter de buis” te kijken. “In het onderwijs zou daar al een begin mee moeten worden gemaakt. Wat dat betreft is media-educatie van groot belang en kan er niet vroeg genoeg mee worden gestart. Maar het is misschien wat ouderwets om het zo te bekijken. Want de jeugd is tegenwoordig in elk geval geweldig bedreven in het gebruik van camera- en videoapparatuur. Ze doen zo gezegd aan zelf-educatie.”Recht op weerwoord
De discussie over mediawijsheid spitst zich vaak toe op de mediawijsheid van burgers, maar Rosenthal vindt dat het juist met de mediawijsheid van veel journalisten erg matig gesteld is. “Een van de problemen bij de kranten is dat de sterke hoofdredacteur van vroeger niet meer bestaat. En de verschillende media vechten met elkaar om de aandacht van het publiek, wat nogal eens ten koste gaat van de kwaliteit. Ik denk niet dat deze problematiek bij de commerciële omroepen groter is dan bij de publieke omroep. Misschien is het zelfs wel andersom. Het zou daarom zinvol zijn om aandacht te schenken aan de mediawijsheid van journalisten, bijvoorbeeld op de opleidingen.”Aangezien het veel journalisten aan mediawijsheid ontbreekt en de journalistiek moeilijk ter verantwoording is te roepen, zou volgens Rosenthal “het recht op weerwoord” een goede mogelijkheid zijn. België en Duitsland kennen een wet die mensen het recht geeft in de media te reageren als zij met naam en toenaam worden genoemd (‘recht op antwoord’). “Daarvan gaat een anticiperende werking uit. Dat is van belang omdat de media nu een tamelijk onschendbare positie hebben. Zij zijn nauwelijks extern tot de verantwoording te roepen. Journalisten beschouwen de Raad voor Journalistiek als een controleorgaan, maar iedereen weet dat deze raad in de praktijk weinig in de melk te brokkelen heeft.”