Kabinetsreactie
In oktober 2006 kwam toenmalig minister Van der Hoeven met een officiële kabinetsreactie op het raadsadvies. Hierin wordt niet alleen gereageerd op het advies van de Raad voor Cultuur, maar wordt tevens een kleine geschiedenis van de media-educatie geschetst en beschouwt welke initiatieven er zoal gaande zijn op het gebied van mediawijsheid. In de brief benadrukt Van der Hoeven dat mediawijsheid van belang is voor alle lagen van de bevolking, waarmee ze in navolging van de Raad het thema media-educatie verbreed tot mediawijsheid: “Actief burgerschap is zonder ict vrijwel onmogelijk”, schrijft ze in de brief. Tevens is ze van mening dat het vooral gaat om de kansen en de mogelijkheden die de nieuwe media bieden. Bovendien beschouwt ze ict-vaardigheden en mediawijsheid als een belangrijk thema binnen de kenniseconomie.In de brief schrijft de minister te willen komen tot een “krachtig netwerk dat activiteiten ontplooit voor mediawijsheid”. De oprichting van een expertisecentrum media-educatie leek de minister, net als de Raad, niet wenselijk. De minister zet in op kennisuitwisseling. Om daartoe een aanzet te geven, organiseerde het ministerie van OCW samen met de Raad voor Cultuur de conferentie “Mediawijsheid: leven in de gemedialiseerde samenleving” (najaar 2006), waar mensen uit zeer uiteenlopende sectoren aanwezig waren. Daarnaast vroeg minister Van der Hoeven aan het Virtueel Platform en Kennisnet Ict op school om de verschillende initiatieven op het gebied van mediawijsheid in kaart te brengen. Tot slot gaf ze aan een informeel netwerk van betrokkenen vanuit de verschillende ministeries in het leven te willen roepen. Het leek de minister onnodig om op het onderwerp mediawijsheid een zware (inter)departementale structuur of programma los te laten. Op de diverse ministeries werden volgens haar namelijk voldoende initiatieven ontplooid die raken aan mediawijsheid.
In de brief wordt weliswaar de nadruk gelegd op de positieve mogelijkheden die de nieuwe media bieden, er wordt ook aandacht besteed aan de negatieve effecten ervan. Zo zegt Van der Hoeven het NICAM te zullen vragen om een systeem te ontwikkelen die ouders en opvoeders geschiktheidinformatie verschaft over programma’s die hun kinderen kijken. Verder zal de minister in gesprekken met nieuwe media-instellingen het belang van mediawijsheid aan de orde brengen. Ook zal ze digitalisering van culturele content stimuleren, zodat “er interessant materiaal in een heldere context beschikbaar komt voor het onderwijs en anderen.” Als positief voorbeeld noemt ze het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid, dat zo veel mogelijk beeldmateriaal voor het publiek ontsluit. Van der Hoeven is net als de Raad voor Cultuur van mening dat mediawijsheid niet tot een van de kerndoelen van het onderwijs gemaakt hoeft te worden. Ze vindt dat de kerndoelen van het primair en voortgezet onderwijs al voldoende aanknopingspunten bieden om leerlingen mediawijs te maken. Boverdien wil ze de scholen zoveel mogelijk ruimte geven om hier een eigen invulling aan te geven. Ze vraagt de Stichting Leerplanontwikkeling (SLO) en stichting Kennisnet Ict op school om bij de verdere ontwikkeling van lesmateriaal rekening te houden met mediawijsheid.